VPC-Historie

Uit Vecht.nl
Ga naar: navigatie, zoeken

Terug naar Vechtplassencommissie - VPC-Recente geschiedenis


J.W. Verburgt – 1e voorzitter VPC (tevens vz Niftarlake)

J. Loeff – 30 jaar vz

Ton Stork – idem

Luuc Mur –


Deel 1: Geschiedenis van 1936-1987 Vijftig jaar Vechtplassencommissie

Jasper Daams, Dedalo Carasso

Op het vignet van de Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied staat een regel van Constantijn Huijgens: "Ick sit op Hofwijck, staegh aen Goudestein, en denck, en vliede van mijn' Vliedt, om voor Uw' Vecht te vechten." Hieruit komt naar voren dat de Vliet en de Vecht al in de zeventiende eeuw als lustwaranden golden. Van de eens zo fraai e Vliet is niet veel overgebleven. Huijgens' buitengoed Hofwijk staat er nog, als een arcadische aanklacht tegen het omringende verkeersbeton. De Vecht heeft daarentegen haar charme behouden, maar ook hier knaagt ondanks alle waakzaamheid de tijd, en moeten de alom zo bewonderde buitenplaatsen op onbewaakte momenten een stap terugdoen: onlangs weer voor een fietspad, een rouwlint langs de Vecht. Het behoud van de Vechtstreek kan niet los gezien worden van de ongerustheid over de aantasting van het natuur- en cultuurschoon, die in de jaren dertig binnen het Oudheid- kundig Genootschap Niftarlake rees. In die tijd werd overal lukraak gebouwd, en achter de boorden van de Vecht dreigde het plassengebied ten onder te gaan aan droogmaking, zandwinning en het storten van vuil. Hiertegen wilde Niftarlake iets doen, en zo werd tijdens de jaarvergadering van 1936 besloten actie te gaan voeren. Nog in hetzelfde jaar belegde Niftarlake een bijeenkomst in hotel De Harmonie te Maarssen, waarvoor een aantal organisaties werd uitgenodigd om van gedachten te wisselen. Men besloot daar een commissie tot behoud van de Vechtstreek op te richten. Het gezelschap in De Harmonie bestond uit burgemeesters in de Vechtstreek en vertegenwoordigers van Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen, de Bond Heemschut, de organisaties van architecten en tuinarchitecten, de ANWB, de regionale VVV, het watertoerisme, Staatsbosbeheer, welstands- en adviescommissies voor uitbreidingsplannen, en zelfs de Heidemij. Deze organisaties lagen voor de hand, want de meeste ervan waren bij de zogenaamde Contact- Commissie inzake Natuurbescherming betrokken. Dit lichaam, de latere Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming, die zou worden voorgezet in de Stichting Natuur en Milieu, was in 1932 in hotel Terminus te Utrecht opgericht. Hetzelfde Terminus werd op 14 november 1936 de geboortegrond van een regionale contactcommissie: de Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en westelijk Plassengebied. Niftarlake volgde dus niet het voorbeeld van verschillende andere, ook omgevingsbewust geworden historische verenigingen, die zelf - met weinig succes - heemschut bedreven. Het oudheidkundig genootschap bracht daarentegen zijn strijdlust onder in een aparte organisatie, die aansloot bij het. landelijke actiewezen van die tijd.1 Het dagelijks beleid van de Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied werd in handen van een werkcomité gelegd, dat niemand verantwoording schuldig was, want er waren daarover tot 1940 - toen omzetting in een stichting volgde - geen regels vastgesteld. Het werkcomité bestond in de eerste jaren uit KJ. Verbergt als voorzitter, J. Loeff als vice-voorzitter, Wilhelmina F. Greven- stuk als secretaresse, en G. Adriaans, WI. Doude van Troostwijk, A.L. des Tombe, J. Trouw en W Wyrnstra als leden. Verburgt was oprichter van Niftarlake. De architecten Adriaans en Wymstra, de stedebouwkundige Trouw en mejuffrouw Grevenstuk waren evenals hij actieve leden van dit genootschap. Adriaans maakte ook deel uit van de provinciale welstandscommissie en Trouw Was hoofdambtenaar bij Stadsontwikkeling te Amsterdam. Des Tombe was burgemeester van de twee Absoute, en Douwde van Troostwijk burgemeester van Nieuwersluis en actief lid van het Utrechtsch Landschap. Loeff was scheepsbouwer te Oud-Loosdrecht; hij genoot landelijke bekendheid als de watersportman van de ANWB. De commissie met de lange naam beschikte dus over de nodige kennis, bestuurlijke ervaring en contacten. De samenstelling onderstreepte de band met Niftarlake, een unie die tot 1970 ook tot uiting kwam in de tweejaarlijkse commissieverslagen het jaarboekje van dit genootschap.2

Op de bijeenkomst in Utrecht werden ook de doelstellingen en het -werkgebied afgebakend. De Vechtplassencommissie zou zich actief moeten betonen als de Vechtstreek werd bedreigd, voortdurend paraat dienen te zijn, en middelen moeten vinden om de gestelde doelen te bereiken. De aandacht ging uit naar de Vecht en de strook met oostelijke en westelijke plassengemeenten, van Muiden, Weesperkarspel en Ouder-Amstel in het noorden, tot over de grens van de stad Utrecht in het zuiden. Dit was niet een gebied dat planologen in de jaren dertig direct als een eenheid beschouwden, maar de oude gouw Nifterlake uit de verre historie. Buitenstaanders stonden daar wel eens wat onwennig tegenover, zoals een burgemeester van Muiden die eens verklaarde zich meer bij het Gooi dan de Vechtstreek betrokken te voelen. Dit uitgangspunt had echter ook zijn voordelen. Omdat haar werkterrein in twee provincies lag, heeft de commissie provinciaal particularisme ten aanzien van de natuurlijke samenhang van het plassengebied tegengegaan. En voor haar publicaties kon zij ook tweemaal provinciale subsidies krijgen, zonder welke verschillende uitgaven niet mogelijk waren geweest. Aldus in het spoor gezet, trachtte de Vechtplassencommissie ook particuliere donateurs te interesseren. Daartoe gaf zij een met linoleumsneden verlucht vouwblad uit, met de volgende opwekkende woorden. "( ... ) de schoonheid van Vecht en Plassen moet behouden en verhoogd worden; deze streek moet weer een oord worden, even aantrekkelijk als het voorheen geweest is (...) Haar schoonheid en haar welzijn zal U zekerlijk ter harte gaan; hoe meer deze bevorderd worden, zoveel te meer zal ook een economische herleving gezien

De periode 1936-1938 Uit het eerste periodeverslag blijkt dat de Vechtplassencommissie zich in belangrijke mate met de planologische ontwikkelingen in de Vechtstreek bezig wilde houden. Goede uitbreidingsplannen waren schaars en om dit over het algemeen slechts door gemeenten met meer dan 10.000 inwoners gehanteerde instrument aan te prijzen, organiseerde de Vechtplassencommissie op 29 april 1937 in kasteel Nijenrode een druk bezochte 'landdag' Tussen de met lichtbeelden verlevendigde historische lezingen in, hield het commissielid RK. van Meurs - vertegenwoordiger van de Advies-Commissie Noord-Hollandsche Gemeenten voor Bouwontwerpen en Uitbreidingsplannen - een pleidooi voor stedebouwkundige samenwerking en overleg tussen de gemeenten in de Vechtstreek. Een tweede activiteit betrof de door de Provinciale Utrechtsche' Welstands-Commissie uitgebrachte bouw- adviezen, die vaak niet in goede aarde vielen. De Vechtplassen- commissie koos hierbij partij-. "Onze Commissie meent, dat, wanneer alle gemeentebesturen van dat bureau [de welstandscommissie] gebruik maakten, er voor onze streek veel goeds bereikt kon worden." Er werd in ieder geval bereikt dat de welstandscommissie wekelijks in Utrecht en Amersfoort zitting ging houden, en daarvan werd de gemeentebesturen mededeling gedaan: "Ook hebben enige leden van het Werk- Comité, door afzonderlijke bezoeken aan Burgemeesters gebracht, succes in deze kunnen bereiken.'." In haar prille jeugd heeft de Vechtplassencommissie dus, vanuit het toen heersende optimisme over de beheersingsmogelijkheden van de tekenplank, aan planologisch zendingsarbeid gedaan. De Vechtplassencommissie had uiteraard veel belangstelling voor de buitenplaatsen in de Vechtstreek. Zij maakte zich ongerust over het aantal buitens dat onbewoond zou zijn. Na een enquête bleek dat dit wel meeviel, en dat slechts enkele huizen, zoals Beek en Hoff, Vijverhof, Bolenstein en Doornburg redenen tot bezorgdheid gaven. Het wegverkeer eiste eveneens de aandacht op. De commissie verdiepte zich in het geplande tracé van Rijksweg 2 tussen Amsterdam en Utrecht, dat volgens haar inzicht te dicht langs Ter Aa liep. Na een adres van de commissie aan de minister van waterstaat volgde een in het periodeverslag van 1938 als aangenaam beschreven overleg, met daarbij echter wel de volgende kanttekening: "In hoeverre aan ons hoofdbezwaar zal kunnen worden tegemoet gekomen moeten we afwachten, al is het zeer geruststellend, hetgeen we mochten vernemen op ons request, dat zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met onze bezwaren en in overleg met de Commissie van Overleg voor de Wegen zal gehandeld worden." Het tracé, zou later, in de jaren vijftig, niet worden verlegd. Er werd tenslotte actie gevoerd tegen de verloedering langs de bestaande rijksstraatweg Amsterdam-Utrecht. Het werkcomité maakte zich "ernstig ongerust over het toenemende verdwijnen van veel bomen, het plaatsen van betonpalen, enz., wat de indruk gaf dat deze weg tegen de tijd, dat hij niet meer als Hoofdverkeersweg dienst zal behoeven te doen, ook als recreatieweg weinig meer zal betekenen Deze vrees was gegrond. Tijdens een gesprek van Doude van Troostwijk met Rijkswaterstaat bleek namelijk dat "alleen gedaan werd, wat de occasion meebrengt, doch wanneer het geld moet kosten, er geen sprake is van nieuwe beplanting'" Het verdwijnen van geboomte werd door Rijkswaterstaat niet als ernstig beschouwd, "naar het schijnt, omdat (…) door het betere uitzicht minder auto-ongelukken -Doorkomen." Kennelijk gold toen nog niet het argument dat de afwezigheid van bomen tot een grotere snelheid, en dus tot een toeneming van het aantal verkeersongevallen kan leiden.

De periode 1939-1945

Na de hiervoor beschreven aanloop breidde de Vechtplassen- commissie haar activiteiten uit. Haar slagvaardigheid nam toe door de omzetting in een stichting. De oprichters bleven formeel bij de activiteiten betrokken, maar het zwaartepunt daarvan kwam in handen van een stichtingsbestuur, dat maandelijks met het werkcomité vergaderde. Het vroegere werkcomité werd in feite bestuur, en een nieuw werkcomité ging als adviserend contactorgaan van particulieren en vertegenwoordigers van verschillende instanties en organisaties fungeren. Op het gebied van de ruimtelijke ordening leverde de Vechtplassencommissie kritiek op ontsierende autokerkhoven en dacht zij mee over camouflerende beplantingen van fabrieksgebouwen. In het belang van het "Vreemdelingenverkeer en van de bewoners van de Vechtstreek, ook met het oog op de vestigingsmogelijkheden", zette zij zich verder met een regionale 'tollencommissie' in voor het afschaffen van tollen, maar ook voor het voortbestaan en de herbouw der dubbele houten tolbruggen over de Vecht. Het molenbehoud kreeg eveneens haar aandacht. Kennelijk vielen deze activiteiten zo goed, dat de burgemeesters in de streek voorstelden de Vechtplassencommissie de officiële, door de bezetter in het leven geroepen status van 'Heemkundecommissie' toe te kennen. Zover is het niet gekomen; wel verzorgde de commissie in 1943 in het Amsterdamse Stedelijk Museum het Vechtgedeelte van een expositie over de Amstel, Vecht en Zaan. Het zwaartepunt van de ruimtelijke interesse bleef de gemeentelijke uitbreidingsplannen gelden. Er werd ongezouten kritiek uitgeoefend op de plannen van de architect A.A. Kok voor Maarssen, en de door J.F. Berghoef en S.J. van Embden ontworpen bebouwing voor de oostelijke Vechtoever te Vreeland. De uitbreidingsplannen van het commissielid G. Adriaans voor Breukelen, konden in het verslag van 1940 echter "geheel de sympathie" van het werkcomité wegdragen. De Vechtplassencommissie maakte ook zelf uitbreidingsplannen: voor Baambrugge, Mijdrecht en in het bijzonder Vinkeveen. Nadat in 1938 de Bond Heemschut alarm had geslagen over de bouw van zomerhuisjes aan de Vinkeveense Plassen, nodigde de gemeente Vinkeveen en Waverveen - waarvan de burgemeester commissielid was - de Veehtplassencommissie uit om bestemmingsplannen voor de Baambrugse Zuwe, de Groenlandse Kade, de Hoflandse Dwarsweg en Plaswijk te tekenen. Daarna volgden opdrachten voor een plan in hoofdzaak, een uitbreidingsplan voor de omgeving van de Botshol en niet uitgevoerde ontwerpen voor nieuwe bruggen over de Vinkeveense wegsloot. Vooral het commielid Trouw was hierbij actief. Tijdens de bezettingsjaren groeide de betrokkenheid bij de natuur- en landscbapsbescherming. Naast de reeds gesignaleerde zorg voor berm- en fabrieksbeplanting, en een geslaagde interventie om houtvorderingen op de terreinen der buitenplaatsen te voorkomen, valt een toenemende bemocienis met het plassengebied op. Daar dreigde het nodige natuurschoon verloren te gaan. Zo oefende de Vechtplassencommissie scherpe kritiek uit op de ongelimiteerde bebouwing langs de Breukelerveense Plassen, de zandwinning in de Spiegelpolder, de voorgenomen drooglegging der Westbroekse Plassen en het storten van vuil te Weesperkarspel. In 1944 hield zij zic'h intensief bezig met de plannen om in de streek bezuiden het Tienbovens Kanaal ruilverkaveling, peilverlaging en ontginning door te voeren. Verder dreigden de Maarsseveense Plassen ten offer te vallen aan de zandwinning. Hoewel de commissie op zichzelf het belang van herverkaveling niet ontkende, meende zij dat natuur- gebieden als de Tienhovense Plassen, de meren en moerassen achter Westbroek en de Gagelpolder, en een belangrijk deel van de Maarsseveense Plassen behouden moesten blijven. In haar verweer tegen de Cultuurtechnische Dienst voerde zij aan dat bij doorvoering van de ruilverkaveling, deze in ieder geval zou moeten samengaan met organisch daarin opgenomen natuurgebieden. In 1944 speelde verder nog een plan dat de drooglegging van een deel van de Vuntus in Loosdrecht, het Hol en Achter de Kerk in Kortenhoef behelsde. Hiertegen nam de Vechtplassen- commissie krachtig stelling. Ook de Bethunepolder werd bedreigd: het polderbestuur en de eigenaar wilden daar het vogelrijke, twintig hectaren grote Bosje van Robinson ontginnen. Een actief lid van het werkcomité, die ook in het polderbestuur zat, vond dit een '.spinneweb in de huiskamer", dat maar beter kon verdwijnen. ,Het stichtingsbestuur sprak zich uit voor behoud. Het polder- c>estuur en de Cultuurtechnische Dienst beslisten echter dat het Bosje van Robinson moest verdwijnen. Door de oorlogs- omstandigheden werd de uitvoering van het voornemen vertraagd, en het bos is tenslotte behouden gebleven.

Tegenover deze bedreigingen stond een ontwikkeling die het behoud van belangrijke natuurgebieden heeft bevorderd. In 1941 werd de Rijksdienst voor het Nationale Plan opgericht. Deze kreeg het toezicht op de ruimtelijke ordening en haar concrete uitwerking in streek- en bestemmingsplannen. In 1942 volgde het besluit dat voorgenomen werken in, of aankopen van terreinen welke vookwamen op een lijst van beschermde gebieden, bij de overheid aangemeld moesten worden. Er kon dan door derden bezwaar tegen gemaakt worden. Tot "grote voldoening" van de Vechtplassencommissie bevatte de lijst met 'meidingsgebieden' de buitens langs de Vecht, het Gein, de Ankeveense en Kortenhoefse Plassen, de Tienhovense Plassen, de plassen in de Gagelpolder en de Botshol. Omdat niet in alle gevallen juiste begrenzingen waren aangegeven, drong de commissie aan op uitbreiding in de Kortenhoefse Plassen en het gebied ten zuiden van het Tienhovens Kanaal.

In het periodeverslag van 1942-1943 werd opgemerkt dat méér nodig was dan bescherming alleen, en dat de commissie daarom een in 1940 genomen initiatief krachtig had aangepakt. het plan van een 'survey' van flora en fauna, het landschapsschoon, de arcf;itectuur en de sociale gëografie. De eerste twee onderdelen kregen de voorrang, want reeds in 1940 begonnen verschillende professionele onderzoekers en amateurs met een natuurhistorische inventarisatie in Tienhoven en de Botshol. In de daarop volgende jaren kwamen daar Ankeveen, Kortenhoef, het Hol, Westbroek, Maarsseveen, Loenderveen, Vuntus, Loosdrecht, Bethune en de Gagelpolder bij. Het was vooral door Loeff dat zo de aandacht is gericht op de natuurhistorische betekenis der Vechtplassen. Loeff stimu- leerde bovendien de kwaliteit van het onderzoek, door in 1943 de botanicus V. Westhoff in het werkcomité te halen. De inventarisatie kreeg door hem een moderne, plantensocio- logische dimensie. Westhoff was hoofd van de afdeling landschapsverzorging van de ANWB, die zich positief opstelde ten opzichte van zijn veldbiologische activiteiten in het plassengebied. Behalve Westhoff waren enthousiaste onderzoekers als D. Piet, E. Agsteribbe en de later door de bezetter gefusilleerde student H. Sturm bezig. Er was voorts een uit NJN-ers bestaande 'Kortenhoefcommissie' actief. Althans tot september 1944, want daarna volgden inundaties, en deze leidden tot enkele jaren van uitstel van het inventarisatiewerk.

De periode 1945-1967

Na de bevrijding kwam de Vechtstreek pas echt in een stroom- versnelling terecht. De verstedelijking greep om zich heen, het verkeer brak door en het toerisme sloeg toe. Dit waren problemen waarmee de Vechtplassencommissie in toenemende mate te maken kreeg. De koers die de commissie daarbij volgde, werd in belangrijke mate door de in 1943 voorzitter geworden Loeff aangegeven. Hij was een drijvende en dominante persoonlijkheid, die de weinig voorkomende eigenschap bezat, in een plezierige sfeer sterke en enthousiaste persoonlijkheden aan zich te verplichten - een configuratie die zich binnen de commissie na zijn vertrek heeft voortgezet.

In de periode-Loeff hanteerde de Vechtplassencommissie het concept van een dynamische samenleving, waarin maat moest worden aangebracht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage in het periodeverslag van 1952, over de forse gemeentelijke uitbreidingsplannen van die tijd: ”De gedragslijn van het Werkcomité is om steeds bij de behandeling van dergelijke plannen een vooruitstrevend standpunt in te nemen en te trachten te verkrijgen dat nieuwe projecten zich aanpassen aan het heden en in de toekomst nieuwe schoonheid zullen vormen." Daarbij werd de volgende kritische noot geplaatst: "Vele plannen van de diverse gemeenten voldeden niet aan de door het Werkcomité voorgestane wensen" Een zinsnede uit het verslag van 1955 geeft aan wat hiermee precies werd bedoeld: "Zo moet ons van het hart, dat wij bij verschillende uitbreidingsplannen in onze streek begrip missen aan het streekeigene en te veel het ontwerp voor een stadsuitbreiding vinden in plaats van dat wat zich bij de dorpsaanleg aanpast." De uitbreidingsplannen van Maarssen troffen in 1954 de commissie dan ook in haar ziel, omdat over Doornburg heen een brug naar Bolenstein was opgenomen. Na een actie tegen de schending van deze twee buitens, werd de oeververbinding in 1957 geschrapt. Effectief was ook het protest tegen het idee van een satellietstad van Hilversum in de Egelshoek, en een groots uitbreidingsplan van Kortenhoef. Bij haar aandacht voor de opkomende grootschaligheid verloor de Vechtplassencommissie het behoud van de bestaande omgeving niet uit het oog. Daar deed zich het verschijnsel der woonschepen voor, waarover het verslag over 1943-1944 al schreef: "Een onderzoek werd ingesteld, om zoo mogelijk de woonschepen uit de Vecht te kunnen doen verdwijnen. Dit euvel is te beschouwen als iets tijdelijks, in verband met den, heersenden woningnood." De schepen bleven liggen en hun aantal nam toe. Men kreeg er geen greep op, maar bleef hoop koesteren, zoals uit een discussie in de algemene vergadering van 1965 naar voren komt: "Uit de vergadering bleek dat men algemeen van mening is dat het vraagstuk de ontsiering, maar ook de verontreiniging in de hand werkt en dat met kracht aan een oplossing gewerkt dient te worden. Gelukkig is het dat beide provinciale besturen middelen beramen om te komen tot een concentratie van deze schepen." Dit verslepen naar dwang- havens is nooit gelukt, en de woonschepen zijn een permanent, bijna erkend aspect van de Vechtstreek geworden. Wat daarentegen de monumenten betreft had de commissie het tij mee. De monumentenwet zorgde in de jaren zestig voor adequate bescherming, en met de groei van de welvaart kwamen geldmiddelen voor restauratie van oude dorpskernen, ophaalbruggen, kastelen en buitenplaatsen beschikbaar. Vooral Trouw zette zich onvermoeibaar in voor het behoud der molens, waarvan enkele met behulp van de commissie in stichtingen werden ondergebracht. Verder maakten de bouwkundigen van het gezelschap opmetingen en beschrijvingen van hekken en theekoepels. De commissie zette zelfs nog een fondsje op, waaruit het begin van de restauratie van de koepel bij Valek en Heining is betaald. Op het gebied van de landschapsbescherming was de Vechtplassencommissie in de jaren veertig haar tijd ver vooruit. In 1943 lanceerde Loeff het idee om de oostelijke Vechtplassen in de beschermende context van een nationaal park onder te brengen. Tijdens de algemene vergaderingen 10 mei 1947 kwam hij hier op terug.3 Loeff stelde toen voor de oostelijke Vechtplassen wegens hun natuurwetenschappelijke en recreatieve waarde veilig te stellen voor het Nederlandse volk. Hij achtte dit de enige manier, omdat "elke verdere schending" door drooglegging, peilverlaging, vuilstorting, zandwinning, wildgroei van zomerhuisjes, ontsluiting ten behoeve van de landbouw, wegverbredingen en dergelijke, het unieke Vechtlandschap met zijn gevarieerde biologische waarden, onaanvaardbaar zouden aantasten. Loeff zag het nationale park als een gebied "waarin dorpen liggen en mensen wonen. De invloed van de mens zal er niet te ontgaan zijn en wij willen dit ook niet. Zoals de natuur dynamisch werkt en er een ononderbroken ontwikkeling plaatsvindt, zo zal ook het gehele landschap als iets dynamisch moeten worden gezien. Maar bij de ontwikkeling die plaats vindt, zal het oog steeds gevestigd moeten blijven op de belangen van natuur en landschap en op het bestaan van andere levende wezens dan de mens." Loeff wilde overbemesting voorkomen, verantwoord maaien bevorderen, schadelijke industrieën weren, watervervuiling tegengaan, vestiging aan de rand van natuurgebieden verbieden, fiets-, wandel-, zwem- en watersportzones aanwijzen, naast plassen en terreinen waar de mens niet zou mogen komen. Hier moest iets tegenover staan. Loeff zag in dit verband de Horstermeer- polder als een mogelijk concentratiegebied voor glascultuur en als stortplaats voor het stadsvuil van Hilversum en Bussum. "Stuk voor stuk en weloverwogen zal deze prachtige streek moeten worden ingedeeld en er zal een voortdurende waakzaamheid nodig zijn, dat de bestemmingen, die worden aangewezen, worden nageleefd." Volgens Loeff lag daar een taak voor de planologische diensten der twee provincies, die gezamenlijk een streekplan zouden moeten ontwerpen. “Maar slechts, wanneer de meest waardevolle gebieden in bezit komen van een lichaam, dat ze werkelijk wenst te beschermen en te beheren in de geschetste geest, zullen die veilig zijn' " Hij dacht daarbij aan een stichting, waarin het rijk, de provincies, de grote steden rondom het gebied, de Vechtplassengemeenten en organisaties als Natuurmonumenten en de Provinciale Landschappen zouden deelnemen. Loeff eindigde aldus- "Wij ontveinzen ons niet, dat vele moeilijkheden overwonnen zullen moeten worden, voor ons ideaal verwerkelijkt is. Maar wij achten dit een ideaal, dat waard is om voor te strijden." De streekplannen zouden er komen, maar dan minder op het natuurbehoud gericht dan in Loeffs opzet besloten lag. De meest waardevolle gebieden zouden ook niet in handen van een doelcorporatie komen, maar van Natuurmonumenten, dat tegenwoordig samen met Staatsbosbeheer en de Provinciale Landschappen meer dan 2700 hectaren in het oostelijke plassengebied bezit. Het ideaal van een op natuur- behoud gerichte, overkoepelende beheersvorm is niet gerealiseerd; wel zijn de vooral op recreatiegerichte plassenschappen op het toneel verschenen. In een overzicht van de tegenwoordige situatie betreurt H.P. Gorter het dat "de Wijde Blik bij Kortenhoef, en de Spiegel- en Blijkpolder bij Nederhorst den Berg door zandwinning in open watervlakten met een grote diepte zijn veranderd. Ook is het jammer dat de Loenerveense Plas (...) meer en meer de gevolgen gaat ondervinden van een steeds intensiever gebruik als 'waterleidingplas'. En in de eigenlijke Loosdrechtse Plassen heeft het recreatieve gebruik de draagkracht van het gebied ver overschreden (...). Niettemin kunnen wij Loeff nog steeds nazeggen dat een nationaal landschap in het Vechtplassengebied ‘een ideaal is, waard om voor te strijden’.”4 Dit roept de vraag op hoe de Vechtplassencommissie zich in de praktijk heeft opgesteld. Tegen de zandwinning in de Wijde Blik heeft de commissie nauwelijks iets kunnen doen. Voor Nederhorst den Berg, waar reeds lang werd ontzand, maakte de commissie in het begin der jaren vijftig ten behoeve van de uitbreidingen een plan om de Spiegelpolder en de Blijkmeer tot één grote plas van 180 hectaren uit te breiden. Over de Loenderveense Plassen nam de commissie in 1949 vertrouwelijk contact op met de directeur van de Amsterdamse waterleiding. Zij steunde diens plan om de plas in de watervoorziening van de hoofdstad te betrekken. Volgens haar verantwoording stond de Vechtplassencommissie in die tijd voor "de beslissing of om der wille van het landschap een actie tegen het plan te ondernemen of door samenwerking te trachten een aanvaardbare vorm te vinden. Met een bloedend hart kwam onze Commissie tot het laatste terwille van het algemeen belang én omdat de bemoeiingen van de Amsterdamse Waterleiding met de Loosdrechtse Plassen in het verleden waardevol waren gebleken voor landschap en recreatie, dank zij de beheersing van het waterpeil. De voorgelegde plannen kunnen worden beschouwd als de best aanvaardbare oplossing." Ten aanzien van Loosdrecht toonde de commissie zich in de jaren vijftig ongerust over de riiineuze aanpassingen, die daar door het verkeer naar en van de plassen werden afgedwongen. Daarbij werkte zij actief mee aan de oprichting van het in 1957 ten behoeve van de recreatie ingestelde plassenschap, in de hoop dat de watersport zo binnen de perken zou blijven. Het periodeverslag 1965-1967 was hierover nog positief: "Het plassenschap Loosdrecht (…) heeft ook grote aandacht geschonken aan het behoud van natuurschoon en stelt pogingen in het werk door middel van een indeling de grote druk van recreanten op verantwoorde wijze op te vangen " Loosdrecht kampte overigens ook met een toenemende water- vervuiling. De plassen waren in het begin van de jaren veertig nog zo helder geweest, dat men de aanwezigheid van krans- wieren al kon vaststellen door op een mooie dag over de plassen te varen. Twintig jaar later waren deze wieren nog slechts bij de Boomhoek te vinden, zoals blijkt uit de vergelijking die P. Leentvaar en M.E Mörzer Bruijns tussen de toestand in 1942 en 1962 trokken.5 De achteruitgang van het water was voor een deel het gevolg van plaatselijke ontwikkelingen. Omdat daardoor de meren niet meer geschikt waren als doorvoer van het Arpsterdamse leidingwater van de Bethune naar de 1,oenderveense Plassen, werden deze laatste door een kanaal met de Bethunepolder verbonden, overigens zonder dat de Vechtplasseneornmissie daarover vertrouwelijk was geconsulteerd. Loosdrecht moest toen Vechtwater van zeei slechte kwaliteit inlaten. De Vechtplassencommissie heeft vanuit haar dynamisch concept niet afwijzend gestaan tegenover gematigde recreatie in het plassengebied. In Loeffs visie was deze verantwoord in de "Loosdrechtse Plassen, Breukelerveen, de Vuntus, de Wijde Blik en de Spiegelpolder. De commissie stond daarentegen op de bres voor het behoud van de natuur in Ankeveen, het Hol, Kortenhoef en de Tienhovense Plassen. Voor het behoud van deze natuurgebieden zijn ook de werkzaamheden van de inventarisatiecommissie van invloed geweest. Onder redactie van Westhoff verscheen in 1949 een studie over het landschap, de flora en de fauna van de Botshol. In 1955 volgde een natuurhistorisch overzicht van Kortenhoef en in 1960 een inventarisatie van de vogelwereld van de Botshol." Gorter vermeldt dat de 'Kortenhoefcommissie' Natuurmonumenten warm heeft gemaakt voor verwerving van haar onderzoeksgebied. Men kan zich bij deze divergerende ontwikkeling afvragen of de strijd voor het natuurbehoud zonder oog voor de recreatie een kans zou hebben gekregen. Ook Natuurmonumenten heeft in het verleden over twee banden moeten spelen.

De periode 1967-1987

Bij het doornemen der naamlijsten van bestuursleden en deelnemers aan het werkcomité valt een langdurige persoonlijke betrokkenheid bij de Vechtcommissie op. Er was en is een grote continuïteit, en er heeft slechts één min of meer collectieve wisseling van de wacht plaatsgevonden. Dat was aan het eindvan de jaren zestig. Loeff legde in 1967 het voorzitterschap neer wegens vertrek naar Zeeland, waar hij de grote voorvechter van een open Oosterscheide zou worden. Westhoff werd hoogleraar in Nijmegen. Secretaris Trouw overleed in 1969. De verslagen uit hun laatste jaren verraden een zekere teleurstelling. Typerend is de 'slotbeschouwing' in het periodeverslag 1965-1967: "De enorme uitbreiding van de woningbouw, de industrialisatie, de ongebreidelde toenemingvan het aantal woonschepen, de geweldige groei van het verkeer en de steeds grotere plaats die de recreatie in onze samenleving inneemt, zijn vooral factoren, die invloed hebben gehad op het uiterlijk van onze streek. Al kan niet worden ontkend, dat deze ontwikkeling een onafwendbare noodzaak is, toch mag wel de vraag worden gesteld of deze ontwikkeling steeds met voldoende behoedzaamheid en liefde voor de schoonheid van de streek tegemoet is getreden. Wij zijn overtuigd, dat met meer zorg en liefde voor die schoonheid veel behouden had kunnen blijven, wat nu verloren ging." Er stond inmiddels een aflossing van de wacht gereed, met mensen als A. Stork, Karel Nagel en P. Leentvaar. Stork volgde Loeff als voorzitter op. Het seeretariaat werd na een interim- periode gedurende vele jaren door A.J. Gorter-ter Pelkwijk behartigd, die een opvolger kreeg in R.H. Heijbroek. De inventarisatiecommissie kwam eerst onder leiding van de hydrobioloog Leentvaar, en later diens vakgenoot L.R. Mur. Bij deze wisselingen bleef H.D. Scheltema penningmeester. Hij trad in 1955 in functie; aan hem heeft de commissie het voorbeeldige financiële management te danken, dat de ambitieuze publikaties mogelijk maakte. De verjongde Vechtplassencommissie kreeg met een veranderend besluitvormingsproces, en uitbreiding en professionalisering van het ambtelijke apparaat te maken. De tijd dat Heren met Heren de zaken regelden, was voorbij. Nieuwe bestuurslagen en nieuwe overlegstructuren deden hun intrede. De publieke opinie ging een rol spelen en belangengroepen organiseerden zich effectief. Het ging nota's, rapporten en plannen regenen, en de tekentafel bleek niet de vroeger zo vurig gepropageerde ruimtelijke uitkomst te bieden, maar het eerste schot in de strijd. De Vechtplassencommissie paste zich aan. Zij stelde haar werkcomité open voor de deelnemers aan het spel en zij leverde vertegenwoordigers aan andere knooppunten in het nieuwe netwerk, zoals de twee provinciale milieuorganisaties, de Verenigingsraad van Natuurmonumenten, de Landinrichtingscommissie Amstelland, de BondHeemschut, Curtevenne en het Zuiveringschap Amstel- en Gooiland. De inventarisatiecommissie ontwikkelde zich tot een ontmoetingsplaats van personen en instellingen die in de Vechtstreek wetenschappelijk werkzaam zijn. De jonge leden van de commissie voelden zich in hun elan gesterkt door het in de jaren zestig groeiende natuurbewustzijn. Voor hen waren de viering van het honderdste geboortejaar van Jac. P. Thijsse en het Natuurmonumentenjaar belangrijke gebeurtenissen. En daarbij kwam Nederland in de ban van het milieu. Het verslag van de periode 1969-1971 verhaalt over de wonderen die toen, zo kort geleden nog, geschiedden: "Georganiseerd door de Weesper milieucommissie, zuiverden enige duizenden schoolkinderen hun stad en rivier van Muiden tot Nigtevecht van vuil. Ca 1500 plastic zakken met afval en ongeveer 60 vrachtwagens met grof vuil, welke opgehaald werden, spraken duidelijke taal."

Met deze gedurende enkele jaren aanhoudende wind in de rug, ging de Vechtplassencommissie er met hernieuwde moed tegenaan. Bij het doorlezen der verslagen valt in dit verband op dat het aandachtsgebied zich verplaatste en de accenten verschoven. Vóór 1970 had de commissie zich op de landschappelijke én cultuurhistorische 'schoonheid' van het Vechtplassengebied gericht. Na 1970 ging de aandacht vooral uit naar de natuur- en landschapsbescherming, met de nadruk op de planologie en het milieu. De toon werd feller en herhaaldelijk weerklonk het voordien ongebruikelijke begrip 'barricaden De heemschutactiviteiten raakten hierbij op de achtergrond, al bleef de belangstelling voor cultuurmonumenten binnen de commissie zeker levendig, zoals uit de verschijning van het theekoepelboek blijkt. In feite volgde de Vechtplassencommissie dezelfde ontwikkeling als de in het begin van dit overzicht genoemde Contact- Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming- De nieuwe, op het natuur- en landschapsbehoud gerichte koers kan hierbij mede uit de veranderde persoonlijke Samenstelling der commissie verklaard worden, maar ook uit de verminderde bedreiging der cultuurmonumenten. De grootschaligheid der jaren zestig en zeventig sloeg vooral in het weiland toe, en vandaar kwamen de problemen op de Vechtplassencommissie af.

Deze problemen kondigden zich in de streekplannen aan. In de jaren vijftig had de Vechtplassencommissie daarop gehoopt en aangedrongen, maar de provincies waren toen nauwelijks in beweging te krijgen. In de jaren zestig werd de ruimtelijke druk echter zo groot, dat de provincies vaart ,gingen zetten achter hun gewestelijke beleid. Daarbij werden natuur en landschap met een geduchte inbreng van stedelijke, industriële en toeristische belangen geconfronteerd. Een jarenlang gekoesterd optimisme moest drastisch worden bijgesteld. Zo kwam in het Noordhollandse streekplan voor het Gooi en de Vechtstreek tot grote teleurstelling van de commissie, de, bebouwing van een deel der Hilversumse Meent uit de bus, terwijl het woonschepenprobleem met dit plan niet werd opgelost. Zo behelsde het streekplan van de provincie Utrecht een op verzoek van de ANWB opgenomen toeristische weg, die dwars door het terrein van Gunterstein en de polder Mijnden liep. Samen met de bewoner van de ridderhofstad - L.A. Quaries van Ufford, die als burgemeester van Abcoude een actief lid van de commissie was geweest - bereikte de Vechtplassencommissie in de periode 1965-1967 dat deze doorbraak niet is gerealiseerd. De recreatie was van bondgenoot tegenstander geworden. Dit blijkt uit de volgende, van 1969 daterende uitspraak over de Loosdrechtse Plassen, waarover het vroegere oordeel voorheen nog mild had geklonken. "De toekomstige ontwikkeling (…) geeft ons veel zorg. Het komt ons voor dat Loosdrecht nagenoeg de maximum opnamecapaciteit heeft bereikt. Een nieuwe en versterkte toevoer van recreanten zal wellicht leiden tot een verschuiving in de beleving der recreatie, met daarbij de zekerheid dat het belang van het natuurschoon in de knel komt.” Het Vechtplassengebied dreigde uit zijn voegen te barsten. De commissie drong er bij de provincie op aan het landschap bij uitbreidingen zoveel mogelijk te sparen en de recreatie binnen de agglomeraties te houden. Hierbij was de hoop gericht op toekomstig soelaas door de nieuwe polders. Daar bleef het niet bij. De commissie regelde dat de milieuorganisaties de koppen bij elkaar staken, en organiseerde een gezamenlijke discussieayond. Uit het periodeverslag 1973-1975 blijkt dat daarbij het oude ideaal van Loeff weer naar boven kwam: "Met de bedreiging van een gebied komt de behoefte aan reservaten naar voren. Daar streek- en bestemmingsplannen alléén een juist beheer van het gebied onvoldoende kunnen verzekeren, moet de instelling van en na tionaal landschapspark uitkomst brengen." Hiermee werd overigens ook ingespeeld op een ontwikkeling bij de overheid. In 1970 had Staatsbosbeheer voorgesteld een aantal gebieden als nationale landschapsparken aan te wijzen, en in 1975 noemde een interdepartementaal advies de Vechtstreek in dit verband als mogelijkheid. Dit was kort na de instelling van een werkgroep die de Vechtplassencommissie enkele andere organisaties hadden opgericht. In 1977 bracht deze werkgroep een studie uit, waarin de kwaliteiten van de streek werden samengevat. Staatssecretaris W. Meijer schreef het voorwoord.7 De inspanning was niet zonder resultaat. In 1981 kreeg de Vechtstreek in het 'Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud’ de aanduidingen 'grote landschapseenheid’ en ‘potienteel nationaal landschap'. In het 'Structuurschema Openluchtrecreatie' van 1981 werd de Vechtstreek als gebied vermeld dat in beginsel in aanmerking kwam voor de status nationaal landschap. Na de derde groene nota uit dat jaar, in de regio zonder duidelijke uitspraken vanuit een agrarisch perspectief werd bezien, besloot de minister van landbouw voorlopig een punt achter de nationale landschappen te zetten.

Het ideaal voor de toekomst leidde niet de aandacht van de vele lopende problemen af, zoals het plan voor het Noorderpark, de problematiek der Westbroekse zodden, de Molenpolder, de weg over de Alambertskade of de kwaliteit het oppervlaktewater. Behandeling hiervan zou een uitvoeriger kader vergen dan dit korte overzicht. Wij beperken ons daarom tot twee zaken die de Vechtplassencommissie sedert het einde van de jaren zestig langdurig hebben bezig gehouden: het behoud van het Gein en de verlegging van de Almerespoorlijn. De bedreiging van het Gein begon met het Amsterdamse Structuurplan Zuid-Oost, dat in 1965 werd vastgesteld. Dit behelsde een stadsuitbreiding tot aan de provinciegrens, met 450 hectaren recreatiegroen, een metrolijn, twee wegen en een kanaal die het Gein kruisten. In het verslag van 1969 sprak de commissie haar ongerustheid uit over deze aantasting van het riviertje. Men nam contact op met de Amsterdamse wethouder R.J. de Wit, eerder een actief lid van de Vechtplassencommissie. Het commissielid Pfeiffer stelde een memorandum op, waarin hij behoud van beide agrarische oeverstroken voorstelde. In 1977 kwam het Gein landelijk in de aandacht. De Vechtplassencommissie nam bij de acties het voortouw. Zij bepleitte wederom behoud van de agrarische strook langs de westelijke oever - de oostelijke zijde was intact gelaten - en eiste dat de van de drie oorspronkelijke verbindingen overgebleven Rijksweg 6, óók zou worden geschrapt. Verder werd laagbouw aan de rand van Gaasperdam voorgesteld. Tijdens de daarop volgende procedurestrijd lichtte de provincie Noord-Holland de groenzone tussen Amsterdam en het Gein uit het Amsterdamse bestemmingsplan. De inrichting van het oevergebied kwam in handen van een stuurgroep, die mede door de Vechtplassencommissie wordt geadviseerd. Zo is tenslotte bereikt dat ook de westelijke Geinoever agrarisch blijft. De acties hebben versnellend gewerkt op de in het begin van de jaren tachtig veranderende planologische opvattingen over stedelijk recreatiegroen, de grote gelukbrenger die tientallen jaren lang in nieuwe buurten en in het landschap werd geprojecteerd. Deze ideologie maakte plaats voor het concept van de ’compacte stad' en de 'stenen ruimte', die thans als het meest zegenrijk voor de stadsbewoner wordt gezien, en natuurlijk ook goedkoper is. Mede hierdoor kreeg het behoud van het Gein op het kritieke moment een kans.8 De Almerespoorlijn had omstreeks 1970 al de aandacht van de Vechtplassencommissie. Zij drong er toen op aan zich tijdig te bezinnen over het openbaar vervoer tussen het oude en het nieuwe land. Daarmee werd door de overheid geen haast gemaakt en pas jaren later kwam er een spoorlijn op papier. Hiervoor waren verschillende varianten, waarvan had het zogenaamde tracé A de voorkeur der Nederlandse Spoorwegen had. Dit doorsneed op onaanvaardbare wijze de Nieuwe Keverdijkse Polder, en hield tevens een bedreiging in voor het Naardermeer. De commissie stelde voor de oostboog naar de spoorlijn Amsterdam-Hilversum te schrappen, en door verlegging van de westboog het landschap relatief te sparen. Dit plan kreeg de instemming van de gemeenteraad van Weesp Natuurmonumenten, en andere milieuorganisaties. Natuurrnonumenten zette een grote actie op, en na veel politiek lobbyen door met name Stork, ging de Tweede Kamer om. In één adem is toen ook Rijksweg 6, die eerst het Gein, en vervolgens in samenhang met de spoorlijn, de Nieuwe Keverdijkse Polder doorkliefde, geschrapt. De zogenaamde oostboog staat nog steeds hoog op het wensenlijstje van de Nederlandse Spoorwegen en Rijkswaterstaat, maar de gemeente Weesp blijkt niet voornemens haar bestemmingsplan hierbij aan te passen. Naast dit werk van de praktijk groeide het aantal inventariserend epublikaties van de Vechtplassencommissie gestaag uit tot een reeks. In 1969 kwam een bundel uit over de biologische en landschappelijke aspecten van de zuidelijke Vechtplassen. Hierbij is samengewerkt met het Rijksinstituut voor Natuur- beheer, het Limnologisch Instituut Vijverhof en de universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Leiden. In 1974 verscheen een inventarisatierapport over de Vinkeveense Plassen. Men was daar bezig met een recreatieplan, zonder dat inzicht bestond in de ecologische waarden van het gebied. Staatsbosbeheer was niet in staat daarover op korte termijn gegevens te leveren, en deze zijn toen door de Vecht- plassencommissie ter tafel gebracht. In 1976 volgde de bundel over de noordelijke Vechtplassen, de tegenhanger van het hiervoor genoemde zuidelijke deel; beide boeken gelden als voorbeelden van hoe een gebied beschreven moet worden. In 1980 was het 'koepelboek' gereed. Het plan daarvoor was in het monumentenjaar 1975 geboren, toen het commissielid B.O. van den Berg een inventariserende brochure over theekoepels voorstelde. De beschrijvingsmethode der ongeveer vijftig nog bestaande tuinhuizen heeft school gemaakt in twee studies over respectievelijk de Friese en de Groningse koepels. In 1985 verscheen Piet Bakkers fraaie standaardwerk over de stinzenplanten in de Vechtstreek en Nederland. Kort daarop kwam een samenvattende computeranalyse van de bestaande vegetatiekundige opnamen in het Oostelijk Vechtplassengebied uit; deze bevestigde de kwaliteit van het voorafgaande onderzoek. De analysemethode van Amerikaanse origine is inmiddels door de universitaire wereld overgenomen. In 1986 besloot een 4151 titels tellende bibliografie over de natuur, het landschap en het milieu in de Vechtstreek de rij.9 Volgens de voorzitter van de inventarisatiecommissie is hiermee het werk van de afgelopen jaren afgesloten. Waarmee tot slot van deze historische beschouwing natuurlijk niet gezegd wil worden dat de Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied is uitgepraat. Want haar adem is minstens zo lang als haar naam.


Noten

1 Bij de oprichting waren veertien organisaties betrokken, die tot zeventien uitgroeiden, te weten: het Oudheidkundig Genootschap 'Niftarlake', de Bond Heemschut, de Stichting 'Het Utrechtsch Landschap, de Provinciale Utrechtsche Welstandscommissie, de Bond van Nederlandsche Archi- tecten, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer en Behoud Natuurschoon'De Vechtstreck', de Provinciale Bond van Vreemdelingenverkeer Utrecht, de Nederlandsche Heide Maatschappij, het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw, de Koninklijke Nederlandsche Toeristenbond AN", Staatsboschbeheer, de Adviescommissie Noord-Hollandsche Gemeenten voor Bouwontwerpen en Uitbreidingsplannen, de Stichting 'Het Noord-Hollandsch Landschap', de Bond van Nederlandsche Tuinarchitecten, de Gemeente Amsterdam, de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen en de Koninklijke Watersportvereeniging 'Loosdrecht'. 2 In dit overzicht wordt geciteerd uit de tweejaarlijkse verslagen van de commissie. Deze staan tot en met 1969 op één na in de jaarboekjes van Niftarlake. De verslagen over 1945- 1946 en de jaren na 1969 zijn door de commissie afzonderlijk uitgegeven. Het archief van de Vechtplassencommissie berust in het gemeentearchief van Weesp. 3 Ziej.Loeff,'EenNationaalParkderOostelijkeVecht- plassen', Natuur en landschap 3 (1949) 42-50. 4 H.P.GorterRuirntevoornatuur.80 jaar bezig voorde natuur van de toekomst ('s-Graveland 1986) 150-152. 5 P.LeentvaarM.EM.MörzerBruijns,'Deverontreiniging van de Loosdrechtse Plassen en haar gevolgen', De levende natuur 65 (1962) 42-47. 6 V.Westhoffed.,Landschap,flora en vegetatie van de Botshol nabi Abcoude (Baambrugge 1949). Hieraan droegen bij- J. Trouw, V. Westhoff, J. Heimans, E. Agsteribbe, W Meyer [W. Meijerl, W Derksen. W Meijer, Rj. de Wit cd., Kortenhoef Een veldbiologische studie van een Hollands verlandingsgebied (z.p. 1955). Hieraan droegen bij.- J. van Dijk, F. de Graaf, A.A. de Groot, J. Heimans, H.R. Hoogenraad, J.Th. Koster, J. Loeff, H.Ph. Maas Geesteranus, J. Trouw, A. van der Werff. In de redactionele verantwoording wordt vermeld dat V. Westhoff wegens tijdelijke, praktische uitschakeling der twee redac- teuren een groot deel van de kopij persklaar heeft gemaakt. Aj. Wiggelaar, J. Veenman, Botshol. Een inventarisatie van de vogelwereld (Amsterdam 1960). 7 J. Daams, K. Everards, Aj. Gorter-ter Pelkwijk, C.AJ. van der Hoeven-1-oos ed., Naar een nationaal landschapspark de Vechtstreek (z.p. 1977). Anth. J.M. Zwitserlood verzamelde hiervoor het materiaal. Aan de werkgroep is meegedaan door Natuur en Milieu,'Natuurmonumenten, de Stichtse Milieufe- deratie en de Vrienden van het Gooi. 8 ZieR.vanLeeuwen,'HetAUPenhetstedelijkgroen', 193511985. Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 50jaar (Amsterdam 1985) 188-193. 9 P. Leentvaar cd., De Zuidelijke Vechtplassen. RIVON- verhandeling 7 (z.p 1969). Hieraan droegen bij: E Creutzberg, P. Leentvaar, R. Rense, C.T.B. Rikkert de Koe, H.A. de Vries, K.W.R. Zwart. PA. Bakker, C.AJ. van der Hoeven-Loos, L.R. Mur, A. Stork ed., De Noordelijke Vecktplassen. Flora enfauna (z.p. 1976). Auteurs waren PA. Bakker, J. Daams Jzn , P. Leentvaar, Aj. Beintema, J.G. de Zeeuw, J.H. Smittenberg, L.W.G. Higler, R.D. Gulati, -K. Olivier, E. van Liere, H. Hillebrand, Aj. den Held, G.M. Copijn, P.J. Oostendorp, M. Vroman, L.R. Mur en R.C. Lakeman. Bart 0. van den Berg, Evert Boeve, Dedalo Carasso, Caria 5. Oldenburger, Theekoepels en tuinhuizen in de Vechtstreek en 's- Graveland (Hilversum 1980). Piet Bakker, Evert Boeve, Stinzenplanten ('s-Graveland en Zutphen 1985). De Vereniging tot Behoud van Natuurmonu- nienten in Nederland en Uitgeverij Terra traden als uitgevers op. W.J. van den Berg en J.T. de Smidt, De vegetatie vanbet Oostelijk Vechtplassengebied 1935-1980 (z.p. 1985). Emmy Mur-Atzema, Bibliografie van de Vechtstreek. Natuur, landschap, milieu (z.p. 1986).



Deel 2: Geschiedenis van 1987-2003 - door Ineke Dukes

1987-2003: DE VECHTPLASSENCOMMISSIE IN BEWEGING


Van luis in de pels tot kennis-instituut


Elk historisch overzicht over de activiteiten van de Vechtplassencommissie begint met de woorden van Constantijn Huijgens: ’Ick sit op Hofwijck, staegh aen Goudestein, en denk, en vliede van mijn’ Vliedt, om voor Uw’ Vecht te vechten.’

Deze uitspraak getuigde van de waarden van zowel de Vliet als de Vecht als een plek waar men kon genieten van rust en van een uniek landschap. Men kon daar wonen en men kon zich daar ontspannen.

Nu, meer dan driehonderd jaar later, is de betekenis hiervan dezelfde gebleven. In het jaarverslag van de Vechtplassencommissie 1985-1987 beschrijven de leden Jasper Daams en Dedalo Carasso in een artikel ‘Vijftig jaar Vechtplassencommissie’ op welke wijze de Commissie haar doelstellingen trachtte te verwezenlijken en met welk resultaat. Uit hun overzicht blijkt dat in die periode de kwalificatie ‘luis in de pels’ als eerste naar voren kwam. Actie voeren om ongunstige ontwikkelingen te voorkomen of tegen te gaan, bezwaar maken tegen overheidsbeslissingen. Dit alles in verschillende vormen en zelden in dank afgenomen door degenen die meenden in hun belangen te worden geschaad.

Het tij is echter gekeerd dankzij verschillende factoren zoals een gegroeid inzicht in de waarden van het gebied waarbij dan ook het belang van de recreatie een rol speelt. Maar ook door de toegenomen samen werking van overheid met particulieren en van particuliere organisaties onderling zodat niet elk op zijn eigen beperkte schaal functioneert met het risico van versnippering. Een heel andere factor is de huidige plaats van de Commissie in het maatschappelijke en politieke kader. De oorspronkelijke functie is gebleven maar daarnaast is geleidelijk aan een nieuwe taak ontstaan: de hoedanigheid van kennis-instituut dat oplossingen aan de hand doet en meedenkt om aan ontwikkelingen een goede wending te geven. Zowel gemeenten als particulieren doen hiermee hun voordeel – en uiteindelijk is het landschap de grote winnaar. Het nu volgende overzicht toont aan hoe deze overgang zich sinds 1987 en vooral in de laatste vijf jaar heeft voltrokken. Een samenvatting van het wel en wee van de Commissie in de periode daarvoor gaat hieraan vooraf.


1936 oprichting


In de jaren dertig van de 20ste eeuw dreigde de Vechtstreek slachtoffer te worden van misbruik van het gebied. De overheid had nauwelijks oog voor wat daardoor verloren ging, met als gevolg ongebreidelde bouw langs de rivieroevers en in het achterland waar ook de plassen het moesten ontgelden in de zin van droogmaking, zandwinning en het storten van vuil. Binnen particuliere organisaties groeide de wens deze ontwikkeling een halt toe te roepen. Het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake dat zich sinds 1911 had ingezet voor behoud en voor verbreiding van kennis van het gebied nam het voortouw en wist zeven-

tien anderen daarin te betrekken zoals de ANWB, de Bond Heemschut en ook enige overheidsorganisaties. Dit resulteerde in de oprichting op 14 november 1936 van een regionale contactcommissie: de Commissie voor de Vecht en het oostelijk en westelijk plassengebied. Een aktiecommissie waarvan het dagelijks beleid in handen was van een werkcomitee. Voorzitter was J.W. Verburgt, de oprichter van Niftarlake. De leden hadden een uiteenlopende achtergrond en een diversiteit aan disciplines, een situatie die tot op de huidige dag gebleven is en het mogelijk maakt in een breed kader te opereren. In 1940 werd de Vechtplassencommissie zoals zij werd genoemd, een stichting.


1936-1987


Vechten voor de Vecht in allerlei vormen, aanvankelijk vooral wat betreft de planologische ontwikkelingen wat tot op heden het zwaartepunt van de ruimtelijke interesse is geweest. Daarnaast waren andere facetten aan de orde zoals de geplande Rijksweg A2 (‘te dicht langs Ter Aa’), maar ook het op last van Rijkswaterstaat verdwijnen van geboomte langs de bestaande rijksstraatweg Amsterdam-Utrecht. De Commissie leverde kritiek op auto- kerkhoven, zette zich in voor het afschaffen van tollen maar bepleitte de herbouw van dubbele houten tolbruggen over de Vecht.

In de bezettingsjaren ging de aandacht in toenemende mate naar de bescherming van natuur en landschap. Verzet tegen houtvorderingen op de terreinen van de buitenplaatsen, kritiek op de ongelimiteerde bebouwing langs de Breukeleveense Plassen, op zandwinning en vuilstort.

In de streek ten zuiden van het Tienhovense kanaal betrof de kritiek de onverantwoorde ruilverkaveling, peilverlaging en zandwinning.

Een nieuw initiatief, ontstaan in de jaren 1940 bestond uit het maken van inventarisaties van flora en fauna. Voorzitter J. Loeff wist in 1943 de botanicus V. Westhoff. hoofd van de afdeling landschapsverzorging van de ANWB voor de zaak te interesseren en stimuleerde daardoor de kwaliteit van het onderzoek.

Ook op ander terrein werd onderzoek ingesteld zoals de aanwezigheid van de woonschepen om deze zo mogelijk uit de Vecht te kunnen doen verdwijnen. In het verslag van 1943 1944 stond dit vermeld als ´een euvel, … iets tijdelijks, in verband met den heerschenden woningnood.`


Dat de landschapsbescherming een onderwerp van grote zorg was bleek uit het door Loeff in 1943 gelanceerde plan om de oostelijke Vechtplassen in het beschermde kader van een nationaal park onder te brengen. Een nationaal park kwam niet tot stand maar mogelijk heeft zijn voorstel toch in andere vorm effect gekregen. De meest waardevolle gebieden kwamen toen in handen van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de Provinciale Landschappen.


Na 1945 nam de ontwikkeling een hoge vlucht in de zin van verstedelijking en uitbreiding van de infrastructuur. Het Amsterdam Rijnkanaal werd geopend in 1952, de rijksweg A2 twee jaar later. De Commissie had er begrip voor dat de door de oorlog uitgestelde plannen nu tot uitvoering kwamen maar leverde kritiek op het verloren gaan van het streek-eigene waarmee te weinig rekening werd gehouden.


Het accent ging zich verleggen in positieve zin. Niet alleen kritiek leveren maar ook, daarnaast, pogen de ontwikkelingen in goede banen te leiden door middel van overleg en samenwerking. Zo resulteerde in 1949 het overleg van de Commissie met de directeur van de Amsterdamse Waterleiding tot de steun voor diens plan om de Loenderveense Plassen te betrekken in de watervoorziening van Amsterdam. Niet alleen het algemeen belang was daarvan de achtergrond maar ook de ervaring dat de bemoeiingen van de Amsterdamse Waterleiding met de Loosdrechtse Plassen in het verleden waardevol waren gebleken. Ook de actieve medewerking aan de oprichting van het Plassenschap Loosdrecht, een plassenschap dat ten behoeve van de recreatie werd ingesteld, kan in dit kader worden genoemd.


De door de Commissie uitgegeven studies over flora en fauna gaven de betrokkenheid met het natuurgebied weer. Naderhand volgden werken over andere facetten zoals buitenplaatsen en

theekoepels. Bescherming van de natuur bleef een hoofddoel maar men besefte dat een starre visie uiteindelijk ongunstig zou werken. Ook de recreatie moest haar eigen plaats in het gebied houden.

Uit de continuiteit bleek de persoonlijke inzet. J. Loeff die vanaf de oprichting in 1936 betrokken was geweest bij de Commissie legde na dertig jaar het voorzitterschap neer. Hij werd opgevolgd door A. Stork die eveneens drie decennia lang deze functie zou bekleden.


1970 verschoven accenten


In de jaren zeventig kreeg de Commissie te maken met een gestaag toenemende bemoeienis vanuit verschillende kanten zoals de overheid en georganiseerde belangengroepen. Ook de publieke opinie ging een rol spelen met als achtergrond een gegroeid natuurbewustzijn en een nieuw aspect, de zorg voor het milieu.

Aanpassing was geboden. De Commissie zag de noodzaak in de vinger aan de pols te houden in deze nieuwe situatie en raakte betrokken in nieuwe kaders en netwerken. Het accent verschoof van een gerichtheid op de landschappelijke en cultuurhistorische ´schoonheid´ naar de bescherming van natuur en landschap. De aandacht ging vooral naar de planologie en het milieu. De toon werd feller zoals in de kritiek op bestemmingsplannen en provinciale streekplannen waarin de stedelijke, industrieele en toeristische belangen voorrang kregen. De Commissie nam het voortouw om samen met anderen te pleiten voor een integraal beheer van het Vechtgebied in de vorm van een nationaal landschapspark. Uiteindelijk kwam dit niet van de grond maar er was in ieder geval aandacht voor gekomen.


Publicaties in de jaren tachtig


Inventariserende publicaties zoals uitgaven over de Vechtplassen zagen het licht. Daarnaast kwam in 1980 het boek ´Theekoepels en tuinhuizen in de Vechtstreek en ´s Graveland´ uit, een beschrijving van de ca vijftig nog bestaande tuinhuizen. Verder publiceerde de Commissie een fraai standaardwerk over de stinzenplanten in de Vechtstreek en elders in Nederland, in 1986 gevolgd door een 4151 titels tellende bibliografie over de natuur, het landschap en het milieu in het Vechtgebied.


Periode 1987-1989


In deze jaren tekende een toenemende complexiteit zich af, een periode waarin steeds meer instanties, organisaties en belangengroepen zich bemoeiden met de ruimtelijke ordening. Daardoor was het nauwelijks mogelijk een ontwikkeling als geheel te kunnen keren. Wel kon de Commissie, vaak in samenwerking met anderen, een ombuiging of wijziging te weeg brengen. Lobbyen in Den Haag, gesprekken met het provinciaal of lokaal bestuur hadden zeker resultaat. Dan bleek uit nader uitgebrachte stukken dat de voorgestelde randvoorwaar-

den waren opgenomen in het besluit.

Vooral het beleid van de overheid die uitbreiding van het woningcontingent en vergroting van de infrastructuur als economische noodzaak zag, voerde tot extra zorg voor de belangen van natuur en landschap in de noordelijke Vechtstreek.


Een voorbeeld daarvan vormde de tekst van het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVVII). Deze nota, niet getoetst aan het natuurbeleid van het Rijk in casu het Structuur-Schema Natuur en Landschapsbescherming, was louter gericht op vergroting van de bereikbaarheid. Met voorbijgaan aan eerdere beleidsvoornemens werd een destijds afgewezen plan voor een spoorverbinding tussen het Gooi en Almere, de Gooiboog opnieuw gepresenteerd. De Commissie maakte bezwaar, het project betekende een nieuwe aanslag op het open poldergebied ten westen van het Naardermeer.


Hetzelfde gold voor de in dit stuk genoemde mogelijke doortrekking van de rijksweg A6, een verlengd traject tussen Muiderberg en Holendrecht inspelend op de wens voor een goede verbinding tussen Schiphol en Lelystad. Ook gemeentebesturen, belangengroepen en andere organisaties keerden zich hiertegen.


De Commissie bleef alert wat betreft de plannen voor uitbreiding van het woningcontingent om haar stem te laten horen naargelang dit voornemen vastere vormen ging aannemen bv. voor de 150 extra woningen in Weesp. Maar inmiddels was ook al de basis gelegd voor een veel grootschaliger plan verwoord in de Structuurvisie Noord-Holland 2015 gericht op aanzienlijke uitbreiding van Amsterdam. Ontwikkelingen in het IJmeer zoals gedeeltelijke demping of mogelijke inpoldering zouden het einde kunnen betekenen van de verbindingszones tussen het Vecht- en plassengebied met natuurwetenschappelijk belangrijke regio’s zoals Waterland. Met het belang daarvan, zoals tot uitdrukking gebracht in het Natuurbeleidsplan, werd geen rekening gehouden. De plannen riepen bij vele organisaties felle reacties op.


Andere overheidsplannen gingen niet door, zoals het voorstel voor het tot stand brengen van waterverbindingen verlopend van noord naar zuid ter wille van de recreatie. Gewezen werd op het verschil in watertypen en de daarbij passende vegetaties in het oostelijk plassengebied, kerngebied van de ecologische hoofdstructur waar handhaving van de waterpeilen en extensivering van de landbouw voorop staan.


De toenemende pleziervaart op de Vecht met steeds grotere boten voerde tot een nieuw plan dat de oplossing voor de filevorming tussen de Vecht en de Loosdrechtse Plassen moest brengen: de aanleg van een nieuwe, vergrote Mijndense Sluis. De bouw daarvan zou gefinancierd worden door de gemeente Loosdrecht met daarbij een door het bedrijfsleven bijeengebracht bedrag, plus een aanzienlijke subsidie van het Rijk. De recreatie maar ook het bedrijfsleven zou daarvan profiteren. De Commissie die van oordeel was dat de capaciteit van de bestaande sluis, na electricifatie, voldoende zou zijn voor het grotere aanbod, stelde in 1988 een nota op met een uiteenzetting over de te verwachten schadelijke gevolgen van de vergroting.

Het voor en tegen van de plannen kwam op de achtergrond door het afwijzen van de gevraagde rijkssubsidie. Naderhand zou hierin echter weer verandering komen.


Toch scheen het besef van de unieke waarde van het gebied door te dringen in bredere kring. In 1988 kwam de ‘Beschrijving van de Grote Landschappelijke Eenheid Vecht en Plassengebied’, vastgesteld door de Natuurbeschermingsraad uit.Dit betekende een steun in de rug voor ieder die het nationale belang van het gebied naar voren wilde brengen. Eenzelfde effect had de door Natuurmonumenten en de Stichtse Milieu Federatie gezamenlijk uitgebrachte publicatie ‘Een kwellend bestaan – visie op natuur en landschap in het Noorderpark’ voor belanghebbenden en geinteresseerden in de bescherming van het zuidoostelijk gedeelte van de regio, de Bethunepolder.


Ook andere facetten van het onderwerp water hielden de Commissie bezig, zoals het voorstel tot verlaging van het waterpeil in de Heintjesrak- en Broekerpolder. De uiteenlopende belangen van agrariers en natuurbeschermers leidden tot een uitgebreide discussie. De Commissie bracht in dit kader naar voren wat het effect zou zijn van een lager waterpeil: het wegzijgen van water uit de Ankeveense Plassen waarin dan vervuild Vechtwater zou moeten worden ingelaten.


In het verlengde van deze regionale kwesties groeide het besef van de noodzaak het waterbeheer in het Goois/Utrechts stuwwallen- en Vechtgebied integraal te regelen. Na afronding van een studie daarover van de inventarisatiecommissie gaf de Commissie de aanzet voor een Symposium Integraal Waterbeheer. Het Zuiveringschap Amstel- en Gooiland en de Provincie Utrecht organiseerden deze bijeenkomst die op 7 april 1988 plaatsvond te Bussum. De belangstelling van bestuurders, waterbeheerders en politici was groot en ook de media besteedden hier aandacht aan. De voordrachten werden gepubliceerd.


Naast alle inzet en bemoeienis met al of niet gunstige ontwikkelingen onderscheidde deze periode zich door een bijzondere Algemene Vergadering. Op 12 september 1987 werd het jubileum Vijfig Jaar Vechtplassencommissie uitgebreid gevierd op kasteel Nijenrode te Breukelen samen met een groot aantal gasten waaronder de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland en zeven burgemeesters uit de Vechtstreek.


Periode 1992-1994


De verschillende punten van aandacht uit eerdere jaren, zoals de zorg voor het niveau en de kwaliteit van het grondwater bleven een steeds terugkerend onderwerp. Dat gold ook voor de voorgestelde aanleg van de Gooiboog, de directe spoorverbinding tussen het Gooi en Almere die door de provincies Noord-Holland en Flevoland van doorslaggevende betekenis werd geacht. De Commissie stelde voor het landschap zoveel mogelijk te sparen o.a. door gedeeltelijke ondertunneling en door beperking tot het bestaande dubbel spoor door het Naardermeer.

Door politieke besluiten kwam het geplande tracee tot nader orde op losse schroeven te staan .


De overbelasting van het wegennet tussen Amstgerdam, Almere en het Gooi bracht de economische noodzaak van uitbreiding van de infrastructuur met zich mee. Dit leidde tot de uitvoering van de Corridor-studie Regio’s Amsterdam, Almere en het Gooi, de CRAAG-studie die een uitvloeisel was van het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVVII).

Om de aantasting van het landschap zo gering mogelijk te maken stelde de overheid voor, een Milieu Effect Rapportage te laten opstellen waarvoor de CRAAG-studie richtlijnen zou leveren.

Het leek alsof deze zaak met grote zorgvuldigheid werd behandeld, maar er was een adder onder het gras. In de CRAAG-studie werd ook een mogelijke doortrekking van de rijksweg A6 tussen Muiderberg en Holendrecht genoemd. Ten onrechte want deze vloeide niet voort uit SVVII. Reden om een bezwaarschrift in te dienen tegen opname van dit onderwerp. De Commissie ging ervan uit dat bij economisch noodzakelijke uitbreiding en aanpassing een integrale verbetering van het openbaar vervoer op de voorgrond moest staan.


De plannen voor uitbreiding van Amsterdam, het plan Nieuw Oost dat in het IJmeer ruimte moest scheppen voor grootschalige woningbouw, wekte al in de voorbereidende fase weerstand bij de groene organisaties omdat alleen het stadsbelang telde. Andere gevolgen zoals het effect op het milieu en de mogelijke precedentwerking voor verdere bouw in het IJmeer waren van ondergeschikt belang. In het Vechtgebied zou vooral Muiden de directe gevolgen van deze uitbreiding ondervinden.


Bevordering van de recreatie met een beroep op de Nota Het Groene Hart was de drijfveer voor de overheidsplannen in zake het maken van vaarverbindingen in het oostelijk plassengebied, een zg ommetje voor grootschalig toerisme. Zelfs het ontwerp-streekplan van de provincie Utrecht bracht de aanleg van een vaarverbinding naar voren in het kader van stimulering van het toerisme. De Commissie maakte bezwaar (samen met anderen zoals de Stichtse Milieu Federatie en bestuurders van Vechtgemeenten) en stelde andere mogelijkheden voor.


De Commissie diende ook t.a.v. een ander onderdeel van het ontwerp-streekplan van de provincie Utrecht een bezwaarschrift in: het gelanceerde plan voor het aanleggen van landgoederen nieuwe stijl langs de Vechtoevers, met aanduidingen op de kaart waar deze zouden moeten komen. De Commissie die zich al in de voorbereidende fase had verzet tegen dit plan, noemde in een bezwaarschrift de daaraan gekoppelde stedelijke elementen. De aanleg van landgoederen nieuwe stijl was een fenomeen bedoeld om achtergebleven dan wel economisch oninteressante gebieden een nieuwe impuls te geven.


De functie van de Bethunepolder, het waterwingebied, kwam op de voorgrond van-wege het voorontwerp Landinrichtingsplan Noorderpark dat het oostelijk deel van het Vechtgebied ten noorden van Utrecht betrof. Het plan voorzag in een verdeling tussen reservaatsgebied en natuurontwikkeling respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de Middenweg. De Commissie maakte op een paar punten bezwaar en gaf nadere adviezen.

Het bezwaar betrof o.a. de geografische verdeling en het voorstel voor een nieuwe ontsluitingsweg met bouwlocaties in het midden van de polder Achttienhoven. Een nader advies betrof het tot stand brengen van ecologische verbindingszones, te regelen in het plan. Daarnaast, als geheel, ruimtelijke plannen en inrichtingsmaatregelen voor het instandhouden van de bestaande biotoop voor de daar aanwezige weidevogels, ganzen en dassen.



Ontwikkeling van een breder kader

Zolang als de Commissie bestond was de gang van zaken op zichzelf nauwelijks veranderd.

Behandeling van een scala van onderwerpen die bij de vergaderingen aan de orde kwamen en daarna, op grond van de genomen besluiten, ingrijpen in de specifieke ongunstige ontwikkeling door middel van bezwaar of overleg.

Toch kwam er langzaam maar zeker een meer-omvattende kwestie aan de orde die uitlopers had op alle terreinen: de positie van het Vechtgebied als geheel binnen de kaders van de maatschappelijke ontwikkelingen. Expansie van de grote steden die tot integratie van de omliggende gebieden leidde enerzijds en de bevordering van grootschalig toerisme anderzijds kregen in deze periode een steeds scherpere omlijning. Het was duidelijk dat de specifieke waarde van het gebied ondergeschikt dreigde te worden aan economische en politieke belangen elders. De conclusie was dat hiertegen in nog nauwere samenwerking met anderen moest worden geageerd. Deze lijn werd uitgezet en zou in het vervolg een steeds sterker accent krijgen.


Periode 1994-1996


De gedachten over aanleg van nieuwe landgoederen, buitenplaatsen nieuwe stijl brachten onderzoek en initiatieven op gang in diverse provincies. De overheid had een mogelijke inrichting van onrendabel landelijk gebied voor ogen. De Raad voor het Natuurbeheer en de Raad voor de Openluchtrecreatie brachten in 1996 een rapport uit met definities en aanbevelingen. In dit stuk, advies over nieuwe landgoederen en buitenplaatsen werd de aanleg daarvan voorgesteld als een cultuurdaad, van belang voor de cultuurhistorische betekenis van het landschap in de toekomst. Hierbij werd verwezen nar de internationale vermaardheid van de Nederlandse historische buitenplaats met name in de Vechtstreek. Als vereiste voor een nieuw landgoed gold o.a. een groot bosareaal en gedeeltelijke toegankelijkheid voor het publiek. Deze ideeen pasten in de zoektocht naar nieuwe recreatiemogelijkheden die gemakkelijk bereikbaar waren vanuit de grote steden.


Dit leidde tot individuele initiatieven zoals een aanvraag in 1995 ingediend bij de gemeente Breukelen. Het ging om de sloop van een negentiende eeuwse boerderij aan het Zandpad nr 55 met daarbij een bouwplan voor de aanleg van een buitenplaats nieuwe stijl. De gemeente, refererend aan het Utrechtse Streekplan, was niet onwelwillend.

Dit project had niets te maken met de met nieuwe landgoederen en buitenplaatsen beoogde landschapsverbetering en voerde tot fel protest. Het plan voorzag in een gebouwencomplex van ‘historiserende’stijl.

De Commissie zag deze ontwikkeling als een geleidelijke verstedelijking van de Vechtoevers en kwam samen met o.a. de Bond Heemschut in het geweer.


Een andere aanvraag aan dezelfde gemeente betrof het kappen van tien eiken en een es langs een landweg ten noorden van het huis Oudaen die een lus maakte met het Zandpad en op een kaart van 1683 aangegeven stond als ‘Heer van Oudaen’s weghie’. Door afticheling van het terrein in de negentiende eeuw deed de weg zich voor als een smalle dijk met een bomenrij aan weerskanten. Te smal voor moderne bedrijfsvoering met name voor een tractor.

De Commissie maakte bezwaar tegen een kapvergunning zonder nadere afspraken over herstel van dit historisch landschaps-element. Uiteindelijk zou in 1997 een oplossing worden gevonden waarin alle partijen zich konden vinden.


Ook een plan in het centrum van het dorp trok de aandacht. De gemeente kondigde in 1995 de openbare verkoop aan van drie historische panden in de straat Brouwerij, negentiende eeuwse pakhuizen die eens hadden behoord tot een daar gevestigde brouwerij. Het terrein had een woonbestemming. De kans bestond dat na verkoop de beeldwaarde verloren zou gaan door een grondige verbouwing; er diende randvoorwaarden te worden gesteld bij de verkoop. Uitvoerig overleg met- en aan het gemeentebestuur, samen met andere organisaties, volgde. Een zg artist’s impression, gemaakt in opdracht van de Dr R. van Luttervelt Restauratie Stichting, gaf een indruk van de pakhuizen na en verantwoorde verbouwing. Uiteindelijk bleef het negentiende eeuwse beeld behouden.


In hetzelfde jaar leverde de Commissie op verzoek van VVK Architectuur en Stedebouw BV informatie over de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het landelijk gebied ter hoogte van Breukelen. Dit in opdracht van de gemeente i.v.m. de voorbereiding van een bestemmingsplan voor het landelijk gebied langs de Vecht. De gegevens zouden ook dienen voor een op last van de Provincie te maken analyse van het gebied.


Ondertussen ging de bemoeienis met ontwikkelingen in de noordelijke Vechtstreek (uitbreiding van het woningcontingent en van de infrastructuur) door. Het bouwplan IJburg (18000 woningen) werd voortgezet ondanks alle acties. Meer succes hadden de vele felle reacties van milieu-groeperingen op de CRAAG-studie waar het de doortrekking van de A-6 betrof; dit onderdeel werd geschrapt.


Verheugend was het uitkomen van het boek ‘Theekoepels en tuinhuizen in de Vechtstreek, Overvloed en Welbehagen’ door de kunsthistoricus Wim Meulenkamp, een uitgave van de

Commissie in samenwerking met de uitgeverij Heureka te Weesp in 1995. Het boek was gebaseerd op een eerdere uitgave in 1980 ‘Theekoepels en tuinhuizen in de Vechtstreek en ’s-Graveland maar het onderwerp was in breder kader geplaatst en geactualiseerd. De inventarisatie kwam tot stand door samenwerking met regionale historische verenigingen. Ook Vechtbewoners hadden daarin een aandeel, zoals Anthony Lisman, bewoner van de buitenplaats VreedenHoff te Nieuwersluis aan wie het boek werd opgedragen.


Bij alle zorg om de toekomst van de Vecht kwam in deze jaren een verheugend initiatief tot stand: het Restauratieplan Vecht 1996-2015, een ambitieus plan dat in verschillende fasen een structurele opknapbeurt van de rivier in gang zette en het herstel van de vele kwaliteiten van de Vecht veilig stelde. De uitvoering was in handen gelegd van het Hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht. De eerste fase omvatte o.a. het vergroten van de stroomsnelheid, natuurvriendelijke inrichting van de oevers en het aanbrengen van aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen. Tussen 2000 en 2010 zou verbetering van de waterkwaliteit centraal staan gevolgd door sanering van de rivierbodem tussen 2010 en 2015. Op 31 oktober 1996 werd op Slot Zuylen de Intentieverklaring voor dit plan, dat tot stand zou komen door samenwerking van 15 (overheids)organisaties getekend. De inhoud zou worden opgenomen in juridisch bindende plannen zoals bestemmingsplannen en waterbeheersplannen. Bovendien zou dit bij de toekomstige ontwikkelingen dienen als referentiekader voor vergunningen en andere besluiten.


Periode 1997-1999


In de geschiedenis van de Vechtplassencommissie komen jaren voor die zich onderscheiden door bijzondere gebeurtenissen naast het gebruikelijke scala van onderwerpen. De periode 1997-1999 is daar een voorbeeld van. Ton Stork nam het besluit zijn taak als voorzitter te beeindigen en de hamer over te dragen aan Luuc Mur. Zijn buitengewone verdiensten hadden het gezicht van de Commissie meer dan dertig jaar bepaald. Gedrevenheid en de overtuiging dat het een goede zaak betrof hadden hem de reputatie bezorgd van een ware vechter voor de Vecht, een man die zich op vele fronten bemoeide met de ontwikkelingen in het gebied. Zijn voorkeur ging uit naar overleg met bestuurders en particulieren om op die manier een oplossing voor de problemen te vinden. Ton Stork zei wel eens dat hij in de noordelijke Vechtstreek iedereen kende. Hij luisterde naar een ander maar schrok er niet van terug op te komen voor zijn standpunt met alle consequenties vandien. Door zijn alertheid merkte hij bedreigingen van het gebied al in een zeer vroeg stadium op zodat de vergadering op grond van zijn constateringen een strategie kon uitzetten.

Het besluit terug te treden als voorzitter betekende niet het einde van zijn inzet; als lid van het bestuur bleef hij betrokken bij het werk van de Commissie.

Ook het jaarverslag onderscheidde zich van dat van andere perioden door de toevoeging van een Album Amicorum.


In de noordelijke Vechtstreek was een belangrijk resultaat geboekt iz de plannen voor de aanleg van de oostboog van de Almere-spoorlijn en voor het doortrekken van de A-6. Alle bezwaarschriften en het uitgebreide overleg hadden geleid tot de beslissing dit spoortraject in een goot te situeren. De A-6 verdween uit het rijkswegenplan. Dit laatste betekende: voorlopig rustig adem halen maar alert blijven.


Omwonenden van de Weersloot te Breukelen, in oostelijke richting vanaf het Zandpad, signaleerden verontrustende activiteiten bij deze watergang. De Weersloot begrenst een waardevol natuurgebied dat als buffer fungeert tussen de bebouwing langs het Zandpad en de bebouwing langs de Scheendijk. Na verkoop van een perceel was het landschap totaal veranderd. Het was duidelijk dat de nieuwe eigenaar heel andere ideeen had. Het oorspronkelijke smalle pad werd een brede aanlegkade met electrische aansluitingen, waterleidingen en lantaarnpalen. Het Plassenschap Loosdrecht e.o. kreeg een verzoek om op die plaats een groter formaat boten te mogen afmeren. Alles duidde op het plan voor een grootschalige exploitatie, vermoedelijk een voortzetting van de situatie aan de Scheendijk.

Een bezwaarschrift samen met de omwonenden leidde ertoe dat de vergunning voor de grotere boten werd ingetrokken. Verder werden regels en beperkingen gesteld, gericht op het behoud van het natuurgebied. De Commissie kon niet voorzien dat deze kwestie zou resulteren in langdurige correspondentie met het gemeentebestuur van Breukelen en zich jaren zou voortslepen.


In het centrum van Breukelen waren ontwikkelingen van heel andere aard aan de gang: de plannen voor herinrichting van dit deel van het dorp en in samenhang daarmee een oplossing voor de verkeersproblemen. De toenemende drukte, vooral in het toeristenseizoen, leidde tot opstoppingen met name in de smalle Brugstraat naar de ophaalbrug. Ook daar stokte het verkeer vanwege de intensieve pleziervaart waarvoor de brug geopend moest worden. Als geheel een groot obstakel voor iedereen die de rivier moest oversteken – men kon er niet in of uit. De gemeente gaf het adviesbureau BRO opdracht een inventarisatie en een analyse te maken van het centrumgebied en tegelijkertijd oplossingen voor de daarmee samenhangende verkeersproblemen voor te stellen.

De Commissie voorzag dat de economische belangen de overhand zouden krijgen in de besluitvorming en drong in 1997 aan op het instellen van een CHER, een Cultuur Historische

Effect Rapportage. Vertegenwoordiging in begeleidingscommissies en in de in 1998 opgerichte Beraadsgroep Historisch Breukelen samen met andere organisaties maakte een intensieve bemoeienis mogelijk. Niet alleen de stedebouwkundige facetten zoals de beeldkwaliteit van de dorpskern werd onder de loupe genomen; ook de verkeersproblemen kregen uitgebreid aandacht. Dit laatste werd er uit gelicht omdat bleek dat binnen het gemeentebestuur de mogelijke bouw van een tweede Vechtbrug steeds meer als oplossing werd gezien. Het adviesbureau DHV Milieu en Infrastructuur dat op initiatief van de Beraads-

groep een ‘second opinion verkeersonderzoek 1998’’ verrichtte stelde andere oplossingen voor zoals een wisselende verkeersstroom in de Brugstraat, te reguleren via verkeerslichten. De gemeente toonde zich in eerste instantie geinteresseerd.


In Maarssen trok een bericht over ontwikkelingen op de oostelijke Vechtoever ten noorden van de dorpskern de aandacht. Het ging om mogelijke bebouwing op het terrein van VIOD/Welkoop dat in handen was gekomen van een projectontwikkelaar. Deze had zich voorgesteld op die plaats grootschalige hoogbouw met een eigen jachthaven te realiseren. Het project riep zoveel weerstand op bij omwonenden en organisaties dat de gemeente besloot tot een bijeenkomst van een aantal belanghebbenden met de wethouder en de projectontwikkelaar. Ook leden van de Commissie waren daarbij aanwezig. Dit plan dat in feite haaks stond op de intenties van het Restauratieplan Vecht dat in 1996 ook door de gemeente Maarssen was ondertekend, werd afgewezen met een pleidooi in wijder verband, te weten het opstellen van randvoorwaarden voor bebouwing van de Vechtoevers.


De integrale aanpak voor de kwaliteit van de Vecht zoals neergelegd in het Restauratieplan Vecht inspireerde de Commissie om deze benadering in een wijder kader dan alleen de rivier te plaatsen en dit door middel van een publicatie naar voren te brengen. Deze gedachte leidde tot het opstellen van een Cultuurgids voor de Vecht. Het stuk zou moeten dienen als referentiekader voor toekomstige ontwikkelingen met erkenning en duurzame bestendiging van bestaande kwaliteiten. Deze integrale aanpak zou de onderscheidenlijke beleidsvelden zoals bijvoorbeeld streekplannen en bestemmingsplannen moeten overstijgen.

De tijd was er rijp voor. De Cultuurgids voor de Vecht die door een initiatiefgroep binnen

de Commissie was opgezet en nader uitgewerkt kreeg uitgebreide bekendheid en waardering in brede kring, ook bij de overheid.


Periode 1999-2001


In deze jaren ging de politiek zich bemoeien met de bedreiging die de steeds snellere en grootschalige ontwikkeling vormde voor waardevolle en kwetsbare regio’s. De uitbreiding van steden, wegen en industrieterreinen leidde tot ruimtelijke veranderingen. Het Vecht-gebied kreeg eveneens aandacht in dit kader. De verschillende facetten moesten op elkaar worden afgestemd. Het grote aantal woonboten was een belangrijk element op zichzelf. Verder moest men rekening houden met het toenemende gebruik van het gebied ter wille van de recreatie, een realiteit die als onderdeel van de algemene maatschappelijke ontwikkeling een eigen plaats had. Een en ander diende in goede banen te worden geleid.

Het besef dat cultuurwaarden verloren konden gaan wanneer niet van overheidswege werd ingegrepen leidde in 1999 tot het uitbrengen van de beleidsnota BELVEDERE. In deze nota werd een aantal gebieden aangemerkt als een deel van Nederland dat bijzondere aandacht behoefde. Voor deze gebieden zou een integraal plan moeten worden opgesteld. De strekking van dit stuk nl dat ontwikkeling noodzakelijk was maar dat goede richtlijnen en afspraken het behoud of het terugbrengen van karakteristieke waarden mogelijk maakte, spoorde met de doelstellingen van de Commissie.


De overheidsopdracht voor het opstellen van een integraal plan, een Vechtvisie was een stimulans voor de Commissie en luidde een periode in van een andere vorm van samenwerking. Voor deze opdracht moesten landschapsarchitecten worden ingeschakeld.

Intern maakte deze nieuwe taak, naast het toegenomen aantal zaken dat ter behandeling werd voorgelegd, uitbreiding van het netwerk noodzakelijk. Een structurele verandering in de werkwijze was het gevolg. Een aantal Vechtbewoners wier betrokkenheid met het gebied bekend was werd aangezocht om te fungeren als contactpersonen vanuit hun eigen omgeving en ontwikkelingen en gegevens door te geven. Een nieuwe vorm met handhaving van de kern en van de verantwoordelijkheid van de Commissie.


Het voornemen van de provincie Noord-Holland om verschillende (vastgestelde) streekplannen samen te voegen tot een streekplan Noord-Holland Zuid betekende een nieuwe periode van hoorzittingen en overleg. De uitgangspunten van het streekplan Gooi en Vechtstreek waarbij de Commissie intensief betrokken was geweest zouden gehandhaafd worden. In de wegendiscussie werd echter duidelijk dat de plannen voor het doortrekken van de A-6 in de nieuwe opzet weer een belangrijke rol speelde. Ook andere organisaties verzetten zich hiertegen wat leidde tot het instellen van het platform A6/A9. Ondertunneling, een door de overheid genoemde mogelijkheid om het landschap te beschermen, werd niet als zodanig geaccepteerd. Bij tegenvallende kosten zou dit element gemakkelijk geschrapt kunnen worden.


In de gemeente Loenen speelde een aantal belangrijke zaken van heel uiteenlopende aard. De Commissie diende een bezwaarschrift in tegen het door de gemeente op 31 mei 2000 vastgestelde ontwerp-bestemmingsplan Kom Loenen. Dit plan besloeg een gedeelte aan de oostkant van de Vecht, Oud-Over, gedeeltelijk vallend onder c.q. grenzend aan het beschermd Dorpsgezicht. Ook bewoners keerden zich hiertegen omdat de uitgangspunten ruimte boden aan een niet-passende schaalvergroting door uitgebreide bebouwing. Uiteindelijk werd door middel van overleg een oplossing gevonden die recht deed aan de historische elementen.


Van geheel andere aard was de kwestie Groot-Kantwijk, de nieuwe bestemming van een voormalige proefboerderij in de Dorssewaard ten noord-oosten van de kern Vreeland.

De gemeente had een aanlegvergunning verleend aan de eigenaar die het terrein en de opstallen wilde inrichten voor de polosport. Dit plan omvatte onder meer een groot kantoorgebouw en een trainingsruimte voor paarden en polospelers. Afgezien daarvan zouden er voorzieningen moeten komen voor evenementen, zoals een ontvangstruimte en een grote parkeerplaats. De Commissie was het oneens met de gemeente (die van oordeel was dat het om een agrarische bestemming ging) en vocht de vergunning aan samen met omwonenden. De vrees bestond dat het initiatief zou leiden tot grootschalige recreatie. Als geheel was van het plan een sterke verkeerstoename te verwachten die de capaciteit van de smalle landwegen te boven ging. De landschappelijke aspecten speelden eveneens een rol. Dit luidde een periode in van bezwaarschriften en hoorzittingen met daarnaast overleg met de aanvrager en betrokkenen om tot een voor iedereen acceptabele oplossing te komen.


Het initiatief dat enkele jaren eerder te Breukelen was genomen voor de aanleg van een buitenplaats nieuwe stijl aan het Zandpad nr 55 leek tot uitvoering te kunnen komen. De gemeente gaf toestemming voor het starten van en art. 19-procedure. In een bezwaarschrift van 24 maart 2000 lichtte de Commissie haar bedenkingen toe. Het bouwvolume van het hoofdgebouw was te groot en de inrichting van het terrein gaf geen garantie voor de openheid, een karakteristiek van het Vechtlandschap. Het gevaar van precedentwerking was duidelijk. Toen de gemeente besloot een verklaring van geen bezwaar aan te vragen bij de Provincie tekende een aantal organisaties waaronder de Commissie bezwaar aan. Er volgde een periode van intensief overleg met alle betrokkenen. Ook binnen de Commissie was het een heel belangrijk punt omdat hiervan geleidelijke verstedelijking kon uitgaan. Het plan werd uiteindelijk op vele punten bijgesteld en tenslotte in de gewijzigde versie goedgekeurd.


AFSCHEID VAN TON STORK ALS VOORZITTER


Het voornemen van Ton Stork om zich als voorzitter terug te trekken vond in deze periode zijn beslag in een feestelijk afscheid op de jaarvergadering. Deze bijeenkomst werd op 12 november 1999 gehouden in Stalhouderij De Zadelhoff nabij Groenevecht. Hoogtepunt daarvan werd gevormd door de eerste uitreiking van de Ton Stork-penning aan de naamgever zelf. De penning, ontworpen door Elisabeth Varga, had de vorm van een plompeblad en toonde een tekst met o.a. de bekende woorden van Constantijn Huijgens. De Ton Stork-Vechten-voor-de-Vecht-penning zou elke twee jaar worden uitgereikt aan iemand die zich buitengewoon verdienstelijk had gemaakt voor het behoud van de waarden van het Vechtgebied. Ton Stork had zich meer dan dertig jaar in hoge mate daarvoor ingezet. In de toespraken van de nieuwe voorzitter Luuc Mur en van vele anderen werd dit van diverse kanten belicht. Ook zijn echtgenote werd hierin betrokken.

Na afloop van de bijeenkomst vond in dezelfde ruimte een receptie plaats voor de familie Stork waarvoor ook een groot aan tal vrienden was uitgenodigd.


Periode 2001-2003


De toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van kwetsbare gebieden met belangrijke cultuurhistorische elementen, onderwerp van de BELVEDERE-nota waarin ook het Vechtgebied als zodanig was aangemerkt gaf aan tal van organisaties die daarvoor werden benaderd een verbreding van hun taak. Dit gold ook voor de Commissie. De uitvoering van deze opdracht had echter ook interne financiele gevolgen. Het Belvedere-projectbureau stelde een hoge subsidie in het vooruitzicht maar het was duidelijk dat ook uit andere bronnen gelden moesten worden gegenereerd. De inkomsten via de donateurs en het Karel Nagelfonds waren daarvoor ontoereikend. Deze opdracht van VROM betekende erkenning, vertrouwen in de inzet en een gedegen uitvoering dus een goede achtergrond voor het aankloppen bij diverse fondsen. Ook voor het opzetten van een site www.vecht.nl moesten middelen worden gezocht.

Na veel discussie en het opstellen van begrotingen nam de Commissie op 4 januari 2001 het besluit de opdracht aan te nemen, de subsidie te accepteren en de cultuurhistorische studie over het Vechtgebied, leidend tot een Vechtvisie te gaan uitvoeren. De landschapsarchitecten Pepijn Godefroy en Marieke Timmermans (bureau La4Sale te Amsterdam) en Noel van Dooren (landschapsarchitect te Utrecht) werden daarvoor aangetrokken. In de opdracht van VROM was samenwerking met de Stichting Nieuwe Hollandse Waterlinie als voorwaarde gesteld.


Als uitgangspunt werd gekozen voor twee deelstudies die bepaalde facetten zou belichten met voorbeelden en suggesties voor een ontwikkeling, naderhand te gebruiken door overheid en particulieren. Resultaten van het onderzoek zouden worden gepubliceerd in de vorm van twee handzame publicaties met tekst, foto’s en kaarten. De keuze viel op ‘Belvedere bouwen Vecht en plassen’, een integraal ontwerp van bouwstenen voor een ruimtelijke ontwikkeling van de Vechtstreek rechtdoende aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het daarnaast uitgebrachte ‘Vecht Vademecum’ bestond uit een systeem van trefwoorden die ingang boden tot de verschillende identiteitsbepalende elementen. Op die manier kon een plaatsnaam, thema of ontwikkeling gezocht worden. De studies waren eveneens te vinden op www.vecht.nl


In het nu volgende geregelde contact tussen de Commissie en de landschapsarchitecten kwam de specifieke deskundigheid en soms uiteenlopende visie van de twee partijen naar voren. Bij de invulling van de opdracht was er duidelijk sprake van aanvulling van elkaars ideeen. Als gesprekspartners ondervonden zij de catalyserende werking van de lange periode van inzet en ervaring enerzijds en de nieuwe aanpak van zeer geinteresseerde buitenstaanders anderzijds.

De Belvedere-gedachte, het samenbrengen van behoud en ontwikkeling, ruimtelijke ordening en cultuurhistorie was hierbij de verbindende factor. De voorwaarde, het blijven bestaan van identiteit zowel in de bebouwing als in het landschap, sprak iedereen aan.

Op 1 februari 2001 vond op Schaep & Burgh een tussentijdse presentatie plaats van het bureau La4Sale voor de leden van de Commissie. Landschapsarchitect Noel van Dooren gaf een uiteenzetting over de opzet van het Vecht Vademecum. Dit bood de gelegenheid om met elkaar het beleid te bespreken en de definitieve uitvoering vast te stellen.

Zo kreeg de publicatie over het Vechtse bouwen vorm, een door La4Sale ontworpen referentiekader waarin de verschillende onderdelen van de bewoning (‘korrels’) woonboot/huis/boerderij/buitenplaats/ landgoed een plaats hadden. De ensembles zoals de historische dorpskernen vlak bij de rivier maar ook de recent aangelegde nieuwe wijken die duidelijk als eenheid waren opgezet werden eveneens genoemd en afgebeeld. Nieuwe ideeen voor de inrichting van de Horstermeer, een actueel onderwerp, kwamen als apart onderdeel aan de orde.


Zoals bij elk project was er sprake van incidentele meevallers en tegenslagen, maar ook tijdgebrek omdat in de Belvedere-opdracht een tijdpad was inbegrepen. Naast de uitvoering van de studie zelf dienden zaken zoals het drukken en naderhand verspreiden van de publicaties ‘Belvedere bouwen Vecht Visie’ en ’Vecht Vademecum’ geregeld te worden. De financiele kant was een punt op zichzelf. Maar uiteindelijk vond op 20 januari 2002 op het gemeentehuis van Maarssen de presentatie plaats voor een groot aantal genodigden waaronder de burgemeesters van negen Vechtgemeenten.


De Commissie besloot een doorstart voor te bereiden (“Belvedere-2”) waarbij niet het Vechtse bouwen maar het Vechtse landschap centraal zou staan. In januari 2003 startte een onderzoek naar het behoud van het open landschap van de Vechtstreek met het agrarisch bedrijf als een belangrijke maar ook de meest bedreigde factor. Bij uitwerking van het project (in te dienen in september 2003) zou de nadruk komen te liggen op het behoud van de melkveehouderij.

Bezoeken aan agrarische bedrijven elders waar men door neven-activiteiten de economische haalbaarheid wist te bereiken, waren zeer verhelderend.


Naast de activiteiten die verband hielden met de Belvedere-opdracht, het opstellen van een Vechtvisie vroegen zaken van heel andere aard de aandacht.

Zo kregen de plannen voor het aanleggen van een grootschalig polocentrum op het terrein van de voormalige proefboerderij Groot Kantwijk een steeds duidelijker omlijning. De Commissie besloot zich met deze ontwikkelingen intensief te gaan bemoeien. De bedenkingen vielen samen met die van de omwonenden die zich eveneens hiertegen wilden verzetten. Dit leidde tot een situatie die totnogtoe nauwelijks was voorgekomen: actie ondernemen samen met particulieren met inschakeling van een advocaat. De kwestie stond meer dan twee jaar op de agenda maar de inzet van alle partijen zou uiteindelijk worden beloond.


Begin 2001 kwam e.e.a. in een stroomversnelling doordat de gemeente Loenen een bouwvergunning had afgegeven voor “verbouwing van de boerderij, van de hooischuur, van de werktuigloods”, met als motief: dat het hier ging om een agrarische bestemming. Dit laatste vocht de advocaat aan. De situatie ter plaatse werd duidelijk bij een bezoek aan Groot Kantwijk, op uitnodiging van eigenaar C. van Zadelhoff. Het ging hem om een drieledige bestemming: agrarisch, sport en kantoor. Hij beschikte over een groot bouwblok, voor verschillende doeleinden in te vullen. Een vierkant poloveld van ca 10 ha, daaromheen weilanden, bij elkaar ca 38 ha. Afgezien van de 120 a 150 paarden voor de polosport zouden zich ook koeien en schapen bevinden op Groot Kantwijk – het agrarische facet.

Op de manifestaties, 2 maal per jaar verwachtte hij 600 a 700 mensen.


De gemeente Loenen stond welwillend tegenover de plannen en achtte de agrarische bestem- ming aanvaardbaar. De Commissie was van oordeel dat de aanleg met een poloveld van dermate grote afmetingen, plus een grote hal met stallen als geheel te grootschalig was voor de Vechtstreek. De belasting van al het (vracht)verkeer, ook buiten de manifestaties, vormde ongetwijfeld een te zware belasting voor de smalle landwegen.De landschappelijke inrichting voldeed niet. Er volgde een periode van overleg en discussie, zowel met de eigenaar als met de gemeente Loenen. In de overwegingen speelde ook de gedachte over de toekomst van het gebied bij eventuele verkoop een rol. Een mogelijke functieverandering zoals ‘sport en spel” zou de aanleg van een voetbalveld kunnen betekenen; dat moest in ieder geval voorkomen worden.


De eigenaar en de Commissie kwamen uiteindelijk tot een vergelijk. Alle aanpassingen zoals een bouwblok van veel geringer volume en een gewijzigde landschappelijke inrichting werden vastgelegd in een nota ”Ontwikkelingen van de Hofstede Groot Kantwijk te Vreeland” van Tuin- en landschapsarchitecten bv Copijn Utrecht in samenwerking met Groenpartners Vreeland. Na ondertekening van dit plan door beide partijen op 1 mei 2002 werd het als zodanig aangeboden aan de gemeente Loenen met als sluitstuk opname in het bestemmingsplan Buitengebied Loenen in 2003.


De tweejaarlijkse Algemene Vergadering op 27 oktober 2001 te Nederhorst den Berg stond in het teken van het Belvedere-project, in de vorm van beelden, toelichting en discussie. Het uitreiken van de Ton Stork penning aan Anthony Lisman, de tweede die deze penning ontving, kon wegens ziekte niet doorgaan en moest worden uitgesteld tot januari 2002.

De bijzondere jarenlange inzet van Lisman en zijn grote kennis van de Vechtstreek hadden in hoge mate bijgedragen tot het behoud van de waarden van het gebied. Zijn hulpvaardigheid bij onderzoek en zijn bereidheid om achtergrondinformatie te leveren, waren bij ieder bekend.

In hetzelfde jaar werd aan Ton Stork een zilveren anjer uitgereikt, in een indrukwekkende ceremonie op het Koninklijk Paleis te Amsterdam op 21 juni 2002. De considerans vermeldde de grote verdienste van Stork in een periode dan meer dan dertig jaar voor de bescherming en het behoud van cultuur- en natuurwaarden van de Vechtstreek.


Aan de zuidkant van de gemeente Loenen was in 2001 eveneens sprake van nieuwe ontwikkelingen, vanwege de aankoop van stukken grond op Oud Over. De koper stelde zich voor nog 14 ha hieraan toe te voegen en dan op het geheel (ca 36 ha) een landgoed aan te leggen, Vrederijk. Het betrof een perceel bos, een kwekerij en weilanden. De gemeente stond er positief tegenover vanwege de recreatie-uitbreiding. De Commissie die op de hoogte van de plannen was gesteld door Groenbeheer had een genuanceerder oordeel omdat het rommelige en ontoegankelijke bos in de huidige situatie diende als refugium en als verbindingszone. Een dergelijke ongestoorde bosontwikkeling op de grens van oeverwal naar veen was zeldzaam op deze locatie; de van rijkswege afgedwongen openstelling deed daar afbreuk aan.

Een bezoek ter plaatse, gevolgd door regelmatig overleg met de koper en met Groenbeheer in een vroeg stadium, leidde tot een blijvende betrokkenheid bij de ontwikkeling van Vrederijk.

De plannen van de gemeente in het oude dorp, zoals het volbouwen van een parkeerplaats bestemd voor buurtbewoners vormden aanleiding tot vragen, evenals de mogelijke aanleg van een rondweg te beginnen bij de Bloklaan en door te trekken tot de Kerklaan. Tot ontlasting van het verkeer op de Rijsstraatweg zou het nauwelijks leiden terwijl de kans op uitbreiding van de bebouwing binnen de geplande rondweg in de toekomst ongetwijfeld aanwezig was.


De herinrichting van het centrum van Breukelen en de discussies over de mogelijke aanleg van een tweede Vechtbrug bleven in deze periode belangrijke agendapunten. Als geheel zat er heel weinig schot in door diverse interne problemen in de gemeente. Alleen over de te nauwe Brugstraat was iedereen in het dorp het eens en de gemeente ging in op het.voorstel van de Beraadsgroep Historisch Breukelen (waarin drie Commissieleden zitting hadden) om een verkeerssimulatie op te stellen van de oplossing met verkeerslichten. De vertoning daarvan leidde ertoe dat de gemeente zich uitsprak voor een proef met doseerlichten – een voornemen waar zij helaas naderhand van terugkwam. Tot een definitieve oplossing kwam het vooralsnog niet. maar het was hoopgevend dat in de loop van de tijd in de discussies van het gemeentebestuur over een tweede Vechtbrug het belang van cultuurhistorische waarden genoemd werd.


De gemeente Maarssen kreeg in 2001 te maken met grote veranderingen langs de Vechtoevers door het vrijkomen van terreinen zoals de jachtwerf Kramer en naderhand het perceel van ACF, aan de zuidkant van de gemeente. De plannen voor een grote jachthaven en een appartementencomplex, het begin van een art. 19 procedure en als geheel de gebruikelijke gang van zaken bij vrijkomend gebied riepen bij verschillende organisaties felle reacties op.

De plannen werden nog grootschaliger door verkoop van het DSM-terrein, er werd gesproken over 550 woningen op die locatie. Er was sprake van bodemvervuiling van een onrustbarende omvang.

De Commissie zag in deze ontwikkeling gevaar voor een rommelige, op de korte termijn afgestelde uitgebreide verstedelijking en pleitte in een gesprek met de waarnemend burgemeester op 26 maart 2002 voor de oprichting van een gespreksgroep over de inrichting van de Vechtoevers, een integraal plan. Dit gesprek was het begin van een intensieve bemoeienis met de inrichting van het gebied; de gemeente had de duidelijke wens om de Commissie te betrekken bij de ontwikkelingen. Ook landschapsarchitect Pepijn Godefroy kreeg het verzoek zich hierover te buigen. Als geheel lag hier een unieke kans om dit grootschalige plan, De Bocht van Maarssen integraal uit te voeren tegen de achtergrond van het Belvedere-gedachtegoed.


Deze ontwikkeling, de vraag van de overheid om in deze aangelegenheid samen te werken gaf stof tot nadenken over de rol en het standpunt daarover van de Commissie. Het was evident dat de positie van “luis in de pels” geleidelijk aan plaatsmaakte voor die van een kennis-instituut waarvan de overheid en ook particulieren graag gebruik maakten. Iets dergelijks had zich ook in Loenen voorgedaan bij het plan voor de aanleg van het nieuwe landgoed Vrederijk.

In een interne nota van het bestuur van 2 juli 2002 werd gewezen op de noodzaak een lijn uit te zetten voor het huidige en toekomstige beleid, een referentiekader. In geval van een samenwerking bij de opzet van nieuwe projecten zou de rol van de Commissie bestaan uit het aansturen van een beleid, daarna afstand nemen en uiteindelijk de resultaten toetsen. Een te duidelijke samenwerking wekte de indruk van partijdigheid en kon ertoe leiden dat de Commissie naderhand werd afgerekend op de resultaten. In het contact met de Maarssen werd deze stellingname nadrukkelijk naar voren gebracht. De Commissie zou te allen tijde de vrijheid hebben om zich terug te trekken.


De visie in een op verzoek van de gemeente opgestelde nota, een ontwikkelingsvisie De Bocht van Maarssen die het hele gebied tussen kasteel Zuylen en de rondweg naar Utrecht besloeg, werd door de gemeente overgenomen. De handhaving van een tennispark aan de zuidkant, een buffer aan de gemeentegrens met Utrecht, was een belangrijk onderdeel.

De samenwerking werd voortgezet. Het in te richten gebied werd in 2003 nog uitgebreid, Pepijn Godefroy kreeg de opdracht een door de Belvedere-gedachte gestuurd ontwerp te maken. Sanering van de zwaar vervuilde bodem kon worden bekostigd zonder financiele steun van de overheid – uniek in Nederland. Als geheel had deze zaak vooral voor voorzitter Mur en voor de leden De Clercq en Copijn heel veel werk opgeleverd. De resultaten gaven veel voldoening. Het zag ernaar uit dat een groot gebied langs de Vecht een optimale invulling zou krijgen in de geest van de Belvedere-uitgangspunten.


Binnen de Commissie ontstond begin 2002 een initiatief voor een betere communicatie met de donateurs. Het verslag eens in de twee jaar kon nooit alles vermelden wat in de afgelopen periode de revue had gepasseerd, het was zaak om op gezette tijden een bulletin uit te geven. Zo ontstond de nieuwsbrief VECHT-VISIE. Ieder lid kon tekst aanleveren over wat er op dat moment aan de orde was en het standpunt plus het daaruit voortvloeiende beleid kort weergeven. Een volgend nummer beschreef dan de voortgang. De eerste VECHT-VISIE kwam uit in april 2002.


Op 19 maart 2003 overleed Ton Stork. Een groot aantal Commissieleden was aanwezig op de herdenkingsdienst op 24 maart in de Maarten Lutherkerk te Weesp. In de aprilvergadering memoreerde voorzitter Mur de grote betekenis van Stork voor de Commissie en hoe hij had standgehouden in de jaren dat er nog geen belangstelling was voor de Vecht.


In de periode 2001-2003 kwam een groot aantal zaken aan de orde, agendapunten die al lange tijd aandacht hadden gevraagd zoals de plannen voor doortrekking van de A6, en andere onderwerpen in de noordelijke Vechtstreek. Daarnaast waren nieuwe taken gekomen zoals uitvoering van de opdracht voor de Belvedere-studie en het leveren van een bijdrage voor de inrichting van De Bocht van Maarssen.

De oorspronkelijke activiteiten, het volgen van ongunstige ontwikkelingen en zo nodig actie voeren bleven een belangrijk onderdeel. Het was echter evident dat de positie en functie van de Vechtplassencommissie een verandering had ondergaan – van luis in de pels tot kennis-instituut.


Amersfoort, juni 2003 - M.A. Dukes-Greup